Koe benut minder dan helft ruwvoer - Melkvee100Plus
Melkvee100Plus
Show article

Van elke kilo droge stof die een melkveehouder kan maken, wordt bij mais 54% en bij gras 36% door de koe benut. Een potentieel verlies van zo’n € 1.400 per hectare. Deels onvermijdelijk, maar veehouders maken zelf het verschil.

Aan de waarde van ruwvoer, zowel in hoeveelheid als in kwaliteit, wordt steeds meer belang gehecht. Het blijkt steeds weer dat het benutten van het ruwvoerpotentieel het verschil maakt in technisch en economisch resultaat. Optimaal gebruik van eigen ruwvoer verlaagt de voerkosten per kilo melk. Bovendien pakt een hoge, efficiënte ruwvoerproductie gunstig uit voor kengetallen in de KringloopWijzer, BEX en voerefficiëntie. Dat geldt in principe voor alle bedrijven, groot en klein en intensief en extensief. “Een maximale ruwvoerproductie van een goede kwaliteit is altijd interessant”, aldus Leo Tjoonk, kenniscoördinator ruwvoerteelt bij Agrfirm. Niet voor niets zet dit bedrijf zwaar in op kennisontwikkeling en -deling via een team ruwvoerspecialisten. De theorie van goed ruwvoer maken is bekend. Toch gaat er in de praktijk nog van alles mis, ziet Tjoonk. “Het begint met bewustwording, begrijpen wat er gebeurt en het belang ervan inzien.” Toine Heijmans, productmanager ruwvoermanagement, benadrukt dat met name management rond bodem en mineralen voor veel bedrijven een onbekend terrein is waar juist veel is te halen. Hij verwacht dat de komst van de KringloopWijzer het bewustzijn zal doen groeien.

Op veel bedrijven wordt de potentie van ruwvoer niet benut. Dat is omdat overal in de ruwvoerketen gederfde productie optreedt. Voor een deel zijn die onontkoombaar, zoals door ademhaling en tijdens de conservering. Voor een deel zijn ze echter het gevolg van tekortkomingen in het bodem-, ruwvoer- en voedingsmanagement van de veehouder.

Met Tjoonk en Heijmans is de keten van verlies langsgelopen. De genoemde verliezen zijn schattingen op basis van onderzoek van Wageningen UR, het Ruwvoerplatform en onderzoek en ervaringen van Agrifirm.

Teelt

De potentie van gras- en maisproductie is 100%. Het eerste verschil dat wordt gemaakt, zit in de opbrengst en voederwaarde per hectare mais en gras. Voor een deel heeft de melkveehouder daar invloed op, zoals rassenkeuze, bodemkwaliteit en mineralenmanagement/bemesting. Deels is het afhankelijk van de grondsoort en het klimaat. Verlies aan potentiële opbrengst door gebreken of fouten van de ondernemer liggen gemiddeld rond 10% bij mais en 15% bij gras. Het kan echter ook een keuze zijn om niet het maximale van een hectare te halen, omdat de ruwvoervoorziening toch meer dan voldoende is. Het is de vraag of dat wel klopt; bij een hoge ruwvoeropbrengst is minder grond nodig; een ondernemer heeft dan grond die op een andere manier tot waarde is te brengen.

* Pas grondbewerkingen toe als de grond het toelaat en voorkom te hoge druk op de grond.
* Onderhoud de grond op basis van de werkelijke bemestingstoestand, inclusief pH en organische stof. Let voor maisteelt vooral ook op het kaligetal. Gebruik een nitrificatieremmer in drijfmest om minder stikstof uit te laten spoelen.
* Stem de bemesting af op perceelsniveau; niet alle percelen hebben dezelfde behoefte.
* Kies een maisras en grasmengsel dat past bij de grondsoort en andere teeltomstandigheden.
* Houd de groei en gezondheid van gewassen goed in het oog. Loop regelmatig een rondje door de wei en door de mais. Voer tijdige en correcte bespuitingen uit tegen onkruid en ziektes.

Oogst

Tussen het moment van maaien/hakselen en het afdekken van de kuil treedt bij gras tot 10% en bij mais tot 5% verlies op. Gemiddeld is het ongeveer de helft. Op grote, courante percelen zullen minder verliezen optreden dan op kleine percelen met lastige hoeken. Verliezen ontstaan onder meer door verkeerde instellingen van machines en te snel en onnauwkeurig werken. Ook de ondergrond is bepalend: bij een natte en/of ongelijke bodem gaat tijdens de oogst meer ruwvoer verloren. Overigens zijn er per definitie verliezen als gevolg van ademhaling, micro-organismen en bewerking van het product.

* Streef naar een omvang van de percelen en capaciteit van de machines die bij elkaar passen.
* Pas de hoeveelheid te maaien hectares aan het klimaat aan. Bij te warm weer kan de droge stof van gras snel te hoog zijn om goed in te kuilen. Bovendien hebben melkzuurbacteriën vocht nodig.
* Haksel gras niet te lang, en door een hakselaar of opraapwagen met voldoende scherpe messen.
* Pas de droge stof aan op de verteerbaarheid; hoe jonger het gras, hoe beter verteerbaar.
* Haksel mais pas bij een drogestofpercentage van 35 tot 40%. Bij meer dan 40% droge stof is het product gevoeliger voor broei omdat de kuil minder goed is aan te rijden. Haksel de mais niet te grof.
* Besef dat oogsten geen race is; uurkosten verbleken bij de waarde van potentieel verlies van ruwvoer.

Conservering

In de tijd dat het product in de kuil zit, treden vooral gistingsverliezen op. De mate waarin hangt sterk af van de droge stof en kwaliteit van inkuilen. In een natte kuil kunnen ook meer perssappen verloren gaan. Bewaring kost altijd droge stof en nutritionele waarde; minimaal daalt deze 1 tot 2% na een half jaar. Alles bij elkaar is hier geteld met gemiddeld 5% verlies bij maiskuilen en 10% verlies bij graskuilen. Verschillen zijn echter groot: in natte graskuilen kan het totale verlies oplopen tot bijna 40%.

* Zorg dat de shovel voldoende tijd heeft om de kuil aan te rijden. De man op de shovel bepaalt het tempo van inkuilen.
* Breng de kuil laagsgewijs aan en rij deze goed vast om zuurstof uit het product te krijgen. Let erop dat het water weg kan. Dat betekent dat de kuil een beetje bol mag liggen.
* Behandel de hele kuil met een toevoegmiddel/schimmelremmer, zeker als de omstandigheden niet ideaal zijn of bekend is dat de voersnelheid te laag is.
* Dek de kuil direct luchtdicht af. Leg over het plastic een zanddek van 10 tot 15 centimeter dikte of afdekzijl. Hoe minder lucht in het product, hoe minder kans op broei. Afwerken met vochtrijke voeders geeft extra druk.
* Gun ingekuilde producten tijd om te conserveren. Laat een kuil zonder toevoegmiddelen vier tot zes weken dicht. Bij gebruik van toevoegmiddelen is dit langer of korter, afhankelijk van het type middel.

Uithalen en voeren

Door verliezen bij het uithalen en vervoer van ruwvoer, weghalen van eventuele broei en verliezen in de stal aan het voerhek gaat gemiddeld 5% bij mais en 10% bij gras verloren. Broei is een belangrijke verliespost die bij het uithalen en voeren tot uiting komt; het verlies kan in een graskuil oplopen tot boven 10%.

* Beperk verlies van voer tijdens uithalen en transport en voorkom voerresten. Werk secuur met goede machines.
* Houd de opengemaakte kuil zo glad mogelijk door frezen of snijden. Voorkom dat er bij het uithalen losse mais in de kuil ontstaat. Maak niet meer kuil open dan strikt noodzakelijk.
* Maak de kuil telkens na het uithalen netjes met plastic dicht, zeker als het gaat regenen. Bij droog weer met een hoge luchtvochtigheid kan het beter zijn de kuil open te laten, omdat dan juist schimmelvorming kan plaatsvinden op het snijvlak.

Koe

De mate van de benutting na de opname door de koe is af te lezen aan de verteringscoëfficiënt van de droge stof. Deze is van een aantal factoren afhankelijk en schommelt over de jaren heen. In 2016 lag deze bij de Agrifirm-bedrijven op gemiddeld 76% voor gras en 77% bij mais. Dat betekent dat respectievelijk 24% en 23% van het opgenomen ruwvoer wordt benut. De range is groot: 52 tot 88% bij gras en 67 tot 83% bij mais. De variatie bij gras is groter, omdat daar ook kuilen met natuurgras onder vallen. Vanuit het ruwvoer bepalen onder meer het maai-/hakseltijdstip en de grofheid van deeltjes de vertering. Bij mais zijn met name de verteerbaarheid van de stengel en de rijpheid en aandeel van de kolf van invloed.

* Houd bij het samenstellen van het rantsoen rekening met verschillen in dezelfde maiskuil. De conserveertijd heeft invloed op de voederwaarde.
* Zorg voor een goede menging in de voermengwagen met behoud van structuur.
* Houd de smakelijkheid van het ruwvoer in het oog. Zorg dat de koeien niet kunnen selecteren.
* Voeg eventueel water in de voermengwagen toe voor minder selectie en betere vertering.
* Controleer regelmatig de gezondheid en vertering van de koeien op basis van de mestsamenstelling.
* Plan gezamenlijk overleg met de dierenarts en voeradviseur rond voeding en diergezondheid.
* Zorg voor optimale omstandigheden in de stal en gezonde koeien. Geef voldoende en schoon drinkwater; voor 1 liter melk is 4 liter water nodig.

Totaal

Bij optelling van alle aspecten die de potentiële maximale opbrengst verlagen, blijft gemiddeld van de 100% potentiële waarde van ruwvoer 54% bij mais en 36% bij gras over. Met andere woorden: van elke kilo ­droge stof die een veehouder kan maken, wordt uiteindelijk maar 54 en 36% door de koe benut. Bij een potentieel productieniveau van 20 ton droge stof uit mais en 15 ton droge stof uit gras, komt dus maar 10,8 ton droge stof uit mais en 5,4 ton droge stof uit gras tot zijn recht. Dat is bij een drogestofprijs van € 0,15 per kilo een potentieel verlies van pakweg € 1.400 per hectare mais en gras.

Bij individuele bedrijven zal het zijn dat op bepaalde delen van het proces meer of juist minder verlies optreedt. In het gunstigste geval kunnen de betere melkveehouders de verlaging van de potentie beperken tot zo’n kwart, gerekend vanaf teelt tot en met vertering.

* Beschouw de ruwvoerteelt als professionele tak van het bedrijf zoals een akkerbouwer zijn producten teelt.
* Schakel specifiek advies of praktische hulp in als de ruwvoerteelt op bepaalde aspecten tekortschiet.

Auteur

Rene%20Stevens
Freelanceredacteur Melkvee100Plus

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.