Doorgaan naar artikel

‘Weten wat er gebeurt als rente stijgt’

Melkveehouders hebben een aantal mogelijkheden om risico’s op hun bedrijf te beperken, zoals het verder stijgen van de financieringslast. Dat zien adviseurs Angelique Nieuwenhuis en Johan Ros van Accon avm. Te nemen maatregelen moeten passen bij het bedrijf en de ondernemer.

De melkveehouderij zit in een onstuimige tijd met veel onzekerheden. Ook financieel zijn er genoeg uitdagingen, mede door oplopende kosten en een achterblijvende melkprijs de afgelopen jaren. Namens advies- en accountantsorganisatie Accon avm geven Angelique Nieuwenhuis (AN) en Johan Ros (JR) hun visie op de staat van de melkveehouderij en het beperken van risico’s. Ze zijn respectievelijk regiodirecteur agrarisch Noord-Nederland en bedrijfskundig adviseur/voorzitter van het brancheteam melkveehouderij.

Hoe kijkt u aan tegen melkjaar 2020?
JR: “We zien gemiddeld een lager resultaat op melkveebedrijven. De melkprijs is wat gedaald en veel kosten zijn gestegen. Drie droge jaren beginnen echt merkbaar te worden, met name in structureel hogere voerprijzen. Ook zien we gevolgen van lange perioden met hoge temperaturen, in de vruchtbaarheid, diergezondheidskosten en lagere omzet en aanwas. De kritieke melkprijs ligt rond de € 37,50 per 100 kilo melk, de gemiddelde melkprijs komt uit op ongeveer € 34. Dat betekent dus een negatieve marge. Verschillen tussen bedrijven zijn altijd groot, maar het is opvallend dat ze verder toenemen.”
AN: “De scherpste kritieke melkprijzen liggen inmiddels op een wat hoger niveau. We zien over de hele linie dat kosten elk jaar stijgen. Technisch zien we nog een stijging van de melkproductie, waarbij het de een wel lukt om het vet en eiwit eronder te houden en de ander niet. Die variatie in gehaltes is groter dan enkele jaren geleden, en dat tikt door in de melkprijs.”

Wat doen de betere bedrijven anders?
AN: “Deze ondernemers hebben bij alles wat ze doen een duidelijk doel voor ogen. Dat komt onder andere in efficiëntie, planning van liquiditeit en rust tot uiting. Ze weten wat ze willen, maar staan wel open voor discussie. De locatie en intensiteit zijn daarbij niet of nauwelijks bepalend, terwijl dat soms wel wordt gedacht.”

Is de financieringslast te hoog?
JR: “Dat is in algemene zin niet te zeggen. We zien bedrijven waar tot wel € 2 per kilo melk prima gaat, maar dan moet er wel een goed bedrijf tegenover staan. Er wordt stevig afgelost en de rente is laag. Als de rente gaat stijgen, kan de situatie wel veranderen en kunnen problemen ontstaan.”

Hebben veehouders voldoende mogelijk­heden tegen het lopen van zulke risico’s?
AN: “Dat ligt lastig. Het risico van oplopende ­financieringslasten is te beperken door het vastzetten van de rente. Euribor-tarieven zijn nu zeer laag maar er zijn ook scherpe rente­tarieven voor meerdere jaren. Het is belangrijk de eigen positie te kennen en te weten wat er gebeurt als de rente stijgt. Zeker bedrijven met hoge vaste tarieven uit het verleden doen er goed aan om het betalen van een boeterente te overwegen.”

Aan de opbrengstkant worden wel goede resultaten geboekt met de termijnmarkt DTC. Dat biedt mogelijkheden?
JR: “Het kan voor sommige bedrijven zeker interessant zijn. Belangrijk is om in beeld te hebben welke risico’s een ondernemer kan lopen en hoe die eventueel te beperken zijn. Veehouders moeten voor zoiets als een termijnmarkt wel feeling hebben en het leuk vinden om ermee bezig te zijn. Maar, zowel in melkprijs en voerprijs is op de termijnmarkt resultaat mogelijk.”

Er zijn nu meer mogelijkheden voor alternatieve financieringen, zoals lease. Een goede ontwikkeling?
JR: “Lease gebeurde vroeger nogal eens uit nood en nu is het een ondernemerskeuze. ­Financieren bij banken is vaak omgeven door extra rompslomp terwijl een leasecontract zo is geregeld. Een nadeel is wel de snelle terugbetaling. Als alternatief voor financieren via de bank is het prima. Als het gebeurt omdat de bank geen geld wil geven, is het een ander verhaal. Met andere woorden: gebeurt het uit kracht of uit noodzaak? Maar dat geldt ook voor gronden in erfpacht geven; als het rendement van het bedrijf er beter van wordt, kan het een goede beslissing zijn.”
AN: “Een andere vorm van risico waar we ons zorgen over maken is de invulling van arbeid. Bedrijven zijn vandaag de dag een stuk complexer dan vroeger en vervanging van de veehouder bij ziekte is niet zo gemakkelijk als ­destijds. We zien ook dat een deel van de ­bedrijven in het verleden te gemakkelijk heeft gedacht over het invullen van arbeid bij groei. Dat kan risico’s geven in de continuïteit van de bedrijfsvoering.”

De afgelopen jaren was er veel aandacht voor bufferen; gebeurt dat nu voldoende?
JR: “Door de marktomstandigheden is dat niet overal voldoende gelukt. Dat heeft vaak te maken met de historische positie van bedrijven. Bedrijven die goed in orde qua onder andere management, vee en gebouwen zijn in staat geweest een buffer aan te leggen. Wel de ­opmerking dat het laatste jaar als gevolg van corona bufferen weer lastiger is. We zien nu veel sterke bedrijven die van de lopende rekening fosfaatrechten kopen en daardoor geen buffer meer hebben.”

Wat hanteren jullie als norm en wat zien jullie op de bedrijven?
JR: “Die hebben we niet. We bekijken het hele bedrijf, zijn er bijvoorbeeld oude of nieuwe ­gebouwen en hoe is het machinepark in relatie tot loonwerk, hoe hoog zijn de financieringslasten? Het is niet te zeggen dat er altijd één jaar aflossing moet zijn of x-cent per kilo melk.”

Is groei nog steeds een item?
AN: “Ja, veel melkveebedrijven zijn met schaalvergroting bezig. Groei wordt toch nog vaak gezien als een ultiem middel om het bedrijf te versterken. Regelmatig is dat ook zo, maar het is wel afhankelijk van de situatie en de mogelijkheden. Er is tegenwoordig echt meer dan alleen schaal.”
JR: “Het lastige is dat het rendement van bijvoorbeeld fosfaataankoop voor de korte termijn niet rond te rekenen is, maar het bedrijven op de langere termijn wel kan versterken. Dat geldt ook voor de aankoop van grond: op korte termijn geen rendement maar voor de langere termijn wel ‘body in het bedrijf’. Een aandachtspunt is dat ondernemers een groeiend bedrijf moeten kunnen blijven managen.”
AN: “We wijzen ook op andere mogelijkheden, met name een samenwerking met akkerbouwers. Dat is in het noorden natuurlijk wel gemakkelijker dan in het oosten of zuiden van het land. Ook hangt het van de ondernemers af of het een geschikt model is. We zien het op het gebied van fosfaat, maar ook voor grond en bedrijfsovername komt samenwerking vaker ter sprake.”

Dat wordt vaker en al lang geroepen. In de praktijk valt het nog best tegen.
AN: “Naast het persoonlijke aspect zijn er bij samenwerking ook fiscale en juridische aspecten. Bijvoorbeeld rondom derogatie-eisen, GLB en betalingsrechten. In VLB-verband (Vereniging van Accountant- en Belastingadviesbureaus, red.) wordt daarover met de ministeries gesproken.”

Wat doen jullie eraan?
JR: “We organiseren informatiebijeenkomsten, webinars en laten succesvolle voorbeelden zien. Het vraagt best veel van adviseurs: er is kennis op meerdere terreinen benodigd. Dat vraagt een goede regisseur. Maar, het belangrijkste is dat de ondernemers zelf er open voor staan. Die moet het willen; het is geven en nemen. Als dat niet het geval is, is het aangaan van een samenwerking niet de juiste keuze.”

Steeds meer melkveehouders die groeien krijgen te maken met meerdere locaties. Waar liggen de valkuilen?
AN: “Dat hangt van veel factoren af. Ondernemers krijgen bijvoorbeeld te maken met dubbele kosten rondom bedrijfsgebouwen. Vooral de bemanning kan een probleem zijn. Bij een familiebedrijf met meerdere gezinnen is dat goed in te vullen, bij een gezinsbedrijf een uitdaging.”

Welke intensiteit is vandaag het optimaal om het meest efficiënt te produceren?
JR: “18.000 kilo melk per hectare. Daarbij blijft de meeste geproduceerde mest op het bedrijf en er ligt een stevige basis voor eigen geteeld ruwvoer wat een bedrijf minder afhankelijk maakt van voer- en mestprijzen. De ideale ­omvang is voor iedereen anders en sterk afhankelijk van de hoeveelheid automatisering en het uitbesteden van werk of juist in eigen beheer doen.”

Tot slot, waar liggen de komende jaren de uitdagingen voor melkveehouders?
AN: “Er zijn grote ontwikkelingen en daar moeten ondernemers op anticiperen. Momenteel zijn stikstof en Nb-vergunningen naast fiscaliteiten actueel. Grondgebondenheid en inspelen op CO2 wordt steeds belangrijker. Tegelijkertijd zien we een toenemende gronddruk, ook als gevolg van het energievraagstuk. Daar zit dus spanning.”
JR: “De economische kwetsbaarheid wordt steeds groter en consequenties van afwijkingen tellen harder door. Dat stelt nog hogere ­eisen aan het ondernemerschap. Maar laten we vooropstellen dat we nog altijd perspectief zien voor de Nederlandse melkveehouderij.”
AN: “Het is belangrijk te focussen op het eigen bedrijf. Wat zijn de mogelijkheden, wat is nu écht belangrijk, waar zit de eigen kracht en hoe zorg ik dat we er samen plezier aan beleven? Er is veel onzekerheid, maar er ontstaan ook nieuwe kansen.”

Angelique Nieuwenhuis (51) is binnen Acoon avm regiodirecteur agrarisch Noord-Nederland en adviseur voor melkveehouders, vooral op het snijvlak van fiscaal, juridisch en financieel advies. Johan Ros (31) is bedrijfskundig adviseur en voorzitter van het brancheteam melkveehouderij. Hij is gespecialiseerd in bedrijfsontwikkeling, subsidies, mest en mineraal en begeleidt studiegroepen melkveehouders. Ze werken beide vanuit het kantoor in Drachten.

Share this

Gerelateerde artikelen

Beheer
WP Admin