Melkvee100Plus
Show article

De ligboxenstal is nog steeds de meestgebruikte huisvesting in de melkveehouderij. WUR-onderzoeker Paul Galama denkt en werkt mee aan verbeteringen, ook met andere stalsystemen. De vrijloopstal heeft hij zeker nog niet afgeschreven.

De uitdagingen waar de melkveehouderij vandaag mee kampt, hebben in meer of mindere mate te maken met de huisvesting. Denk aan emissies van ammoniak en methaan, dierenwelzijn en diergezondheid, maar ook investeringskosten en arbeidsefficiëntie.

Wageningen Livestock Research doet al jaren en op meerdere vlakken onderzoek naar huisvesting van melkvee en alles wat ermee samenhangt. Bij veel van deze projecten is Paul Galama betrokken. Hij stak veel energie in de ontwikkeling van de vrijloopstal en recentelijk naar verlagen van emissies door mestscheiding in bestaande ligboxenstallen op Dairy Campus.

De ligboxenstal is inmiddels ruim 50 jaar oud. Hoe lang kan dit staltype nog door?
“De stal gaat niet verdwijnen, maar moet zich nog meer aanpassen aan de nieuwe eisen. De stal die we vandaag bouwen, is heel anders dan de eerste typen, met meer aandacht voor welzijn en milieu. Een belangrijk nadeel van de ligboxenstal blijft dat het staan en liggen voor koeien niet helemaal natuurlijk verloopt. Met meer ruimte voor de koeien is daar nog wel wat te verbeteren maar voor echt natuurlijk gedrag is een vrijloopstal nodig.”

Hoe doet de stal het wereldwijd?
“Ik zie dat de ontwikkeling in de VS zich richt op verdergaande schaalvergroting, hoge producties per koe en toename van automatisch melken en voeren. Wij zijn meer bezig met aspecten als verlengen van levensduur en verlagen van de milieu-impact. Er is veel internationaal overleg, dus we leren wel van elkaar. In de tijd gezien is de ligboxenstal de opvolger van de grupstal en de potstal. In een aantal landen in Zuid-Amerika waar de huisvesting ook evalueert, wordt de ligboxenstal overgeslagen en gaan ze direct naar een vrijloopsysteem. Dat zit deels in de cultuur en het klimaat speelt zeker ook een rol. Het is belangrijk om niet in hokjes te denken en basisprincipes los te durven laten.”

De afgelopen decennia zijn nogal wat nieuwe staltypen voorbijgekomen, maar doorgebroken zijn er geen. Van welke stal had u meer verwacht?
“Toch wel de vrijloopstal. Er zijn nu zo’n zestig vrijloopstallen in Nederland, voornamelijk met houtsnippers als bodem. Ruimte is en blijft een dilemma. Voor koeien wil je meer ruimte, maar dat betekent ook een groter emitterend oppervlakte en hogere kosten. Het heeft ook gevolgen voor het klimaat in de stal en de ventilatie. Maar ik voorzie in de toekomst ook combinaties van ligboxen en vrijloop, dat bepaalde dieren in het vrijloopgedeelte verblijven. Welke dieren verschilt per veehouder: probleemkoeien, droge koeien en begin lactatie of de oudere koeien, of jongvee. Of je kunt dieren laten kiezen in een meerkeuzestal.”

Ammoniakemissie blijft het probleem?
“Er zijn verschillende bodems in een vrijloopstal onderzocht, met en zonder beluchting. De ammoniakemissie is 32% lager en de methaanemissie is 32% hoger bij houtsnipperbodem ten opzichte van een ligboxenstal met roosters. Meer ruimte en minder ammoniakemissie kan dus samengaan. Een doorlaatbare kunststofbodem deed het in Nederland niet goed door fouten in de opbouw van de vloer. In het buitenland is de vloer aangepast en lijkt het goed te gaan, maar de emissie is niet bekend. Interessant is de zogenoemde vrijlevenstal van Hanskamp, die op een praktijkbedrijf in ontwikkeling is. Daarbij worden met een beddingcleaner of zandreiniger de koeienvlaaien opgeruimd door een soort zeef achter de trekker. Een variant is een grote zandbak met een halve meter zand met drains voor de urine. Het is perspectiefvol, maar we hebben nog weinig zicht op de processen die zich in het zand afspelen. De Dierenbescherming heeft de vrijlevenstal alvast beloond met een prijs.”

Bouwkosten is een belangrijk item. Kunnen andere stalsystemen een oplossing bieden?
“Bouw is per definitie duur in Nederland, zeker ook door de extra eisen die we stellen. In het buitenland heeft een vrijloopstal vaak geen betonnen vloer. Ik vind dat veehouders niet teveel moeten besparen op vierkante meters, want goedkoop kan duurkoop worden. Zeker bij hoge producties met continue druk op klauwen. Ook ruimte is belangrijk voor staan, liggen, vreten en bewegen, dus natuurlijk gedrag. Er mag wel aandacht zijn voor efficiënt gebruik van de ruimte zoals voerpaden en de loopgang langs het voerhek. Een optie die in andere landen voorkomt, is de hele stal benutten voor de koe zonder loopgang langs het voerhek en voerpad. Voeren kan met mobiele voerbakken in het vrijloopgedeelte; dit vergt wel veel vierkante meters per koe.”

Wat zou u nog willen onderzoeken?
“Het multifunctioneel maken van gebouwen. Ik zit bij een Europees project om als de koeien dag en nacht buiten zijn, varkens in de vrijloopstal te houden. Of je kunt denken aan plantenteelt in de zomer. Er kleven allerlei nadelen en beperkingen aan, maar het is goed anders naar gebruik van stallen te kijken.

Een ander interessant onderzoeksgebied is het beheersen van luchtstromen; hoe en waar gaan we lucht afzuigen om ammoniak en methaan af te vangen, en hoe is dat te filteren?
De houtsnipperbodem waarop koeien liggen en lopen, is een biofilter. Mogelijk is die te benutten door luchtstromen te circuleren. Een andere denkrichting is methaan oxideren of filteren, eventueel een veldfilter. Het lastige bij methaan afvangen is dat concentraties in de stal laag zijn. Misschien gaat het met een afvangkap boven ligboxen of voerhek?”

Wat is de stand van zaken rondom mestscheiding?
“We testen drie systemen: het koetoilet van Hanskamp, een urinedoorlaatbare tegelvloer met schuif en een rubberen vloersysteem met gaatjes en gootjes. We zijn er wel achter dat alleen apart houden van mest en urine niet voldoende doet om de vorming van ammoniak te beperken. In theorie ontstaat ammoniak doordat de urease uit de feces in contact komt met de stikstof uit de urine. De ammonium-stikstof uit de urine werd door de hoge pH toch omgezet in ammoniak. Er is namelijk voldoende urease in de omgeving van de urinekelder. We kijken daarom ook naar aanzuren van de urine in de kelder met zwavelzuur. Dit vermindert de kelderemissie. Om emissie van de vloer te beperken, wordt deze aangezuurde urine gebruikt om de doorlaatbare tegels te flushen, elke keer na het schoonmaken met de vouwschuif. Er zijn nog geen cijfers van de emissiemetingen, maar het ziet er goed uit, vooral omdat het ook de emissie van urine bij aanwending op het land vermindert. Door alleen de urine aan te zuren in plaats van drijfmest, wordt een eventuele overmaat aan zwavelbemesting voorkomen.”

Voorkomen dat urine en mest bij elkaar komen en aanzuren zijn best oude technieken. Is er te weinig gedaan de afgelopen jaren?
“Het is waar dat de varkens- en pluimveehouderij voorop lopen met emissiearme toepassingen. In de melkveehouderij is het onderwerp later op de agenda gezet en hebben we lang verwacht dat aangepaste vloeren de oplossing zijn. In het algemeen hadden we te hoge verwachtingen van scheiden van mest en urine om emissies te voorkomen. Overigens zou het goed zijn niet alleen naar de stal­emissies te kijken, maar naar het hele proces tot aan het aanwenden.”

Wat gebeurt er met de fracties?
“De dikke fractie lijkt goed mogelijk stapelbaar te maken, via een vijzelsysteem en ondergrondse slangen naar de opslag drukken en luchtdicht afsluiten. Het lijkt perspectiefvol om zo ook de methaanuitstoot te verlagen. Ook vergisting biedt dan mogelijkheden, omdat de mest snel uit de stal gaat en het rendement stijgt. De dunne fractie is goed als kunstmestvervanger te gebruiken, maar dat moet EU-wetgeving nog toelaten. Bij een stikstofoverschot hoeven bedrijven dan minder mest af te zetten. We zien in het algemeen dat nieuwe stalsystemen ook vanuit de mogelijkheden van mestafzet naar bijvoorbeeld akkerbouwers kansen bieden.”

Drijfmest is een aflopende zaak?
“Daar ben ik nog niet van overtuigd. Ontwikkelingen met scheidingstechnieken gaan door, maar drijfmest is zo slecht nog niet. Zeker voor de afnemer zijn de verhoudingen in mineralen gemiddeld goed. Een deel van de veehouderij zal straks zonder drijfmest zijn, maar niet allemaal. Het zou wel goed zijn als er meer samenwerking komt met akkerbouwers, om op die manier ook grondgebonden te kunnen worden en mestproducten slim te verdelen tussen alle gewassen.”

Paul Galama (62) is onderzoeker huisvestingssystemen bij Wageningen Livestock Research van Wageningen University & Research (WUR). Galama studeerde in 1983 af aan de Universiteit van Wageningen. Hij begon in het onderwijs en stapte over naar het voormalige Consulentschap voor de Rundveehouderij. Zijn onderzoekcarrière begon in 1993 bij het voormalige Praktijkonderzoek (opgegaan in WUR). Hij vervulde diverse functies, waaronder onderzoekcoördinator, projectleider bij De Marke en medeoprichter van Koeien & Kansen.De laatste jaren houdt Galama zich vooral bezig met projecten rondom veenweideproblematiek, mineralenkringlopen en stal- en bedrijfssystemen. Daarbij ligt de focus op emissiebeperking en duurzame aspecten. Speciale aandacht heeft de vrijloopstal. Via een aantal Europese projecten houdt hij zich ook bezig met een veerkrachtige veehouderij en internationale kennisuitwisseling tussen robuuste bedrijven.

Auteur

Rene%20Stevens
René Stevens is sinds 2000 freelance redacteur bij Boerderij.

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.