Melkvee100Plus
Show article

Een verplichte krimp in de melkveehouderij lijkt voorlopig niet nodig Het aantal koeien gaat door productiestijging en de fosfaatwetgeving sowieso al achteruit, stelt Jan Willem van den Berg van ING. Met de kalversector als voorbeeld pleit hij voor ketenregie in de melkveehouderij, die voor voldoende inkomen moet zorgen.

“Je kunt somber naar de problemen kijken, maar kijk vooral ook naar de mogelijkheden’, zegt agrarisch specialist Jan Willem van den Berg van ING. Bij die bank heeft één op de 20 tot 25 melkveebedrijven een financiering. Het aantal groeit licht. Het zijn bedrijven met jonge ondernemers en opvolgers, waarvan wordt ingeschat dat ze over tien jaar nog een toekomst hebben. ING richt zich op groeiers, maar ook op multifunctionele bedrijven met een tweede tak.

De komende vijf tot tien jaar zal de melkveehouderij meer diversifiëren, voorpelt Jan Willem van den Berg. “Bedrijven die ervoor kiezen om zoveel mogelijk en zo goedkoop mogelijk melk te produceren zullen nog een stukje gaan groeien. Daarnaast zijn er bedrijven die het zoeken in verbreding met een neventak of in natuurinclusief of biologisch. Dat biedt mogelijkheden en je voldoet aan maatschappelijke wensen. Maak daar gebruik van. Met groei, maar ook met verbreding is niks mis.”

Als er veel veehouders overstappen op biologisch ontstaat er een overschot en keldert de prijs.
“Dat zou inderdaad het geval zijn als er geen regie in de keten zou zijn. Die is er bij biologisch, waarbij de productie wordt afgestemd op de afzet. Kijk naar de kalversector. Die is zo ingericht dat er voor iedereen in de sector een boterham te verdienen valt. Ik verwacht dat we in de melkveehouderij ook meer ketenregie krijgen. ”

De kalversector met zijn strakke regie is wat anders dan de melkveesector.
” Je ziet in de zuivel toch dat het die kant op gaat. Neem de fabrieksquotering van FrieslandCampina met zijn tien cent voor de melk bij overschrijding van het quotum. Die ketenregie waarbij je de totale opbrengsten van boer tot bord eerlijk verdeelt, is ook nodig om richting kringloop te komen. Dat zal in overleg moeten met LTO en de zuivel. Transparantie is de keten is daarbij nodig. Voor iedereen moet er een boterham te verdienen zijn. Voor ons als financiers is het belangrijk dat er voldoende economische rentabiliteit is. We willen een keten met verdienmodellen, dan kunnen we ook financieren.”

Groei. Gaat het naar de 400 koeien per bedrijf?
“Ik noem geen aantallen. De ontwikkeling, die we de afgelopen 25 jaar hebben gezien, zet door met geleidelijke groei. Minder bedrijven met meer staarten. We hebben klanten die al 400 koeien hebben en dat combineren met weidegang. Dat vergt van de ondernemer een topprestatie. Er zijn ook gebieden waar het kan, ook maatschappelijk, maar dat is lang niet overal het geval. Steeds belangrijker wordt evenwicht in aantal dieren en grond/mestafzet. Het aantal bedrijven dat voer van alle kanten aanvoert, zal minder worden. ”

Er zijn opmerkelijk veel stoppers, ook jongere ondernemers.
“De tijd is voorbij dat je heel veel vermogen in je bedrijf had zitten, maar jaarlijks een lege portemonnee had en toch maar doorging. Steeds meer ondernemers maken een bedrijfseconomische afweging. Dat is ook gezonder. Je ziet nu ook ondernemers van 45, 50 jaar die afweging maken. Als ze zien dat de rentabiliteit almaar afneemt, stoppen ze.”

Bij milieu- en natuurorganisaties, maar ook in de politiek is er een roep om krimp.
“Met de fosfaatregelgeving is het aantal koeien al met 160.000 verminderd. Het is een simpele rekensom. De productiestijging per koe gaat door, Er is krimp en groei tegelijk: krimp van het aantal ondernemers en van de veestapel en groei van het aantal staarten per bedrijf. Krimp of een beëindigingregeling zoals in de varkenshouderij is niet nodig. Het is belangrijk eerst andere opties goed te onderzoeken die bijvoorbeeld de methaanuitstoot reduceren en door te kijken naar voersamenstelling en ras.”

We hebben nu fosfaatrechten. En wat staat de melkveehouder nog met stikstof te wachten?
“De fosfaatrechten zijn een feit, met stikstof en de derogatie hikken we tegen een plafond aan. Wat je ziet, is dat we het er pas over hebben als het gaat knellen. Het is merkwaardig dat je een maximum hebt voor dierlijke mest en niet voor kunstmest. Daar zit speelruimte als je dierlijke en kunstmest bij elkaar kunt optellen. Het is goed dat dat nu bespreekbaar wordt, ook in het kader van kringloop en klimaat. Dat laat onverlet dat we straks bij die optelsom binnen een bepaald plafond moeten blijven.”

Bij de toekomstvisie van de minister moet dadelijk de concrete invulling komen met maatregelen en financiële ondersteuning. Wat moet de minister doen?
“Het is een goede visie met een goede richting, ook in het kader van maatschappelijke ontwikkelingen. Haar pleidooi voor kringloop is al aan de gang. Als het gaat om natuurinclusieve landbouw en bijvoorbeeld vernatting in de veengebieden, moet er wel een verdienmodel tegenover staan. De rentabiliteit zal uit de markt moeten komen die meer voor een specifiek product betaalt en uit een bijdrage van de overheid. Bij maatschappelijk rendement hoort de maatschappij te zorgen dat het betaald wordt via subsidie, belastingmaatregelen, of uit het GLB. Het kan niet zo zijn dat Nederland zegt ‘we willen dit en dat’ en dan vervolgens de rekening bij de primaire sector neerlegt. Als je als Nederland wat wilt, heb je ook een verantwoordelijkheid om ervoor te betalen.”

Geldt dat bijvoorbeeld ook voor een hoger grondwaterpeil in de veengebieden omwille van het klimaat?
“Ja. De maatschappij zal over de brug moeten komen. Ik kan me ook niet voorstellen dat het niet gebeurt en dat de lokale veehouder het productieverlies uit eigen zak moet gaan betalen.”

Enig idee hoe zo’n maatschappelijke betaling dan kan?
“Het moet in evenwicht zijn en passen bij een bedrijf. Een vergoeding op een wijze die gelijk loopt met het economisch levensschema. Kijk naar SDE-subsidie voor zonnepanelen. Die toekenning is voor vijftien jaar, de periode van de economische levensduur van die panelen. Als je een SDE regeling voor maar vijf jaar zou hebben en over het vervolg onzekerheid laat bestaan, werkt het niet. Dan kunnen we er ook als financier niet mee verder. Ik roep nu niet meteen om een soort SDE voor kringloop en klimaat, want daarvoor is er nog teveel onduidelijk. Je moet als minister wel duidelijkheid scheppen voor de lange termijn.”

Bij natuurinclusieve landbouw is er een idee om het aantrekkelijk te maken met een lagere rente voor financiering. Gaat ING dat doen?
“Het is een sympathiek gebaar, maar gezien onze omvang in de markt verwacht ik niet dat we hier snel mee komen. Onze rente is al concurrerend.”

Het klimaatakkoord geeft aan dat de opdracht voor agrarisch haalbaar is. Gaat het lukken?
“Dat wordt voor melkveehouderij nog een stevige dobber, maar het kan. Punt is nog wat je aan landbouw toerekent en wat niet. Tel je transport voor de grondstoffen voor het voer mee of niet. De opbrengst van zonnepanelen op de stal valt nu onder energie. Zou je die niet bij landbouw moeten meetellen? Om de doelen te halen is het niet nodig om een krimp in de melkveehouderij toe te passen. Met diervoeding en bemesting is er het een en ander mogelijk, maar er zal nog het nodige aan onderzoek moeten plaats vinden.

Wat doet ING zelf?
“We zijn heel actief door zonnepanelen te financieren. Onze adviseurs zetten in de gesprekken met de klant nadrukkelijk in op asbest eraf, panelen erop. Daarmee voorkom je ook dat klanten in problemen raken als in 2024 het verbod op asbestdaken ingaat.”

Vijf jaar geleden voorspelde ING meer bv’s, cv’s en minder maatschappen. Verder meer familieleningen en meer erfpacht. Hoe staat het ervoor?
“Die voorspelling is uitgekomen. De trend zien we nog steeds en ze gaat door. Het past prima bij het financieringsplaatje van een onderneming, dat je zo spreidt. Voor de bank is het een grotere waarborg, dat er wordt afgelost.”

Ondernemerschap is op menig bedrijf een zwak punt stelde ING vijf jaar geleden. Is dat nog steeds zo?
“Melkveehouders zijn daar veel bewuster mee bezig. Dat vragen we ook van ze en het gebeurt. Ze kijken veel beter naar hun rentabiliteit en hun kasstromen. Je ziet het bijvoorbeeld aan de buffer van vijf tot tien cent per kg melk, die we adviseren om prijsschommelingen op te vangen. Het kan altijd beter, maar ze werken er wel naartoe.”

Veel staat of valt met de melkprijs. Wat wordt het?
“Wij hanteren voor onze financiering een (kwin) prijs van 35,50 cent per kg melk. De verwachting voor dit jaar is dat de melkprijs voldoende zal zijn om aan dat bedrag te komen. Dat moet ook voldoende zijn om een behoorlijk inkomen te halen.”

ING: Zet de rente vast

De rentestand is superlaag. Het is daardoor verleidelijk om met de dagkoersen mee te liften. Agrarisch specialist Jan Willem van den Berg vindt dat uit het oogpunt van zekerheid niet verstandig. Het is beter om de lage rente vast te zetten, adviseert hij. Tenminste voor vijf of tien jaar, waarbij die tien jaar zijn voorkeur heeft.
Of de rentecurve zo vlak blijft, is de vraag. Jan Willem van den Berg kan er niets over zeggen. Vanuit het verleden is het zo dat na een periode met lage rentes ook een periode volgt met hogere rentes. Maar ja, wanneer is dat het geval? “In Japan kennen ze al een periode van 30 jaar waarop de rente extreem laag is.”

Jan Willem van den Berg (51) is agrarisch specialist bij ING. Hij komt van een melkvee- en akkerbouwbedrijf. Na de studie melkveehouderij en bedrijfskunde aan de HAS in Dronten ging hij aan de slag bij ING. Sinds drie jaar geeft hij leiding aan 20 agrarische adviseurs bij de bank.

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.