Melkvee100Plus
Show article

‘Melkveehouders moeten econoom worden. Niet alleen met de melkcontroleur de stal in, maar ook met een rekenmachine, vindt adviseur Johan Achten. Hij ziet dat de Nederlandse melkveehouderij terrein verliest door de fosfaatrechten.

Het Belgische bedrijfseconomische adviesbureau Liba in ­Bocholt, dichtbij de grens met Weert, heeft naast 350 grote Belgische melkveehouders – de snelle groeiers met gemiddeld 1,7 miljoen kilo melk – ook 50 Nederlandse melkveehouders onder de grote rivieren in het klantenbestand. De accent ligt op het bedrijfseconomische: het verbeteren van technische cijfers, waarmee het inkomen stijgt. “Dat is wat anders dan de fiscale boekhouding, die in Nederland zo op de voorgrond staat. Er zit een tegenstelling: de fiscale boekhouding probeert de winst zoveel mogelijk te minimaliseren, terwijl je met de bedrijfseconomische boekhouding juist probeert om zoveel mogelijk winst te behalen. Dat moet het doel van je onderneming zijn”, legt eigenaar Johan Achten uit. Bijgestaan door de adviseurs Dries Aerden en Niels Achten kijkt hij naar de Nederlandse melkveehouderij.

Bedrijfseconomische boekhouding. Nederlandse boeren zitten niet op nog meer administratie te wachten.
“Die weerstand is er in België niet. Boeren zijn eraan gewend. Dat bedrijfseconomische staat hier centraal. De overheid stimuleert het en ook de banken doen dat. Het is een soort semi-verplichting. Het grote voordeel is dat elke boer precies weet wat de kostprijs van één kilo melk is en wat daarvan de verschillende onderdelen zijn, waarop hij kan bijsturen. In Nederland is dat niet zo. Overigens, vanuit de fiscale boekhouding kun je ook een bedrijfseconomische analyse maken maar die gaat niet zover als een bedrijfseconomische boekhouding die een veel verdere opdeling in kostenposten laat zien.”

Wat is er mis met de fiscale boekhouding?
“Niets, maar kun je daarmee je bedrijf voldoende sturen? Als de fiscale gedachte centraal komt te staan in de bedrijfsvoering, kan het melkveebedrijf in de knel komen bij een volatiele melkprijs, zoals we in de afgelopen tijd hebben meegemaakt. Als je bij een melkprijs van 38 cent geen belasting wilt betalen, hoe ga je er dan voor zorgen dat je bij een melkprijs van 30 cent wel je rekeningen kunt betalen? Dat inzicht en streven is er wel met een bedrijfseconomische boekhouding.”

Tegen de achtergrond van fosfaatrechten en het inkrimpen van de veestapel, wat kunnen veehouders doen om het saldo te verbeteren?
“De productie per koe verhogen, maar als je al hoog zit, is daar weinig winst te behalen. Zit je op 8.500 kilo per koe dan kan het, maar als het management matig is, is productieverhoging geen tovermiddel. Mogelijk kun je kiezen voor driemaal daags melken. De vraag is of dat arbeidstechnisch kan. Het verschilt per bedrijf hoeveel meer melk dat oplevert. We hebben er een rekenmodel voor. Test dat minimaal zes maanden uit. Dan zie je of het gaat en of het werkelijk voordeel oplevert. Zo niet, dan kun je terug. Voor bedrijven met hoge producties, draait het om efficiency verbeteren. Kijk naar de cijfers, onderneem actie en verbeter je cijfers. Het gaat niet om het maximale eruit te halen, maar om het economisch beste te doen. En stop met excuses. Je hebt bedrijven die steeds zeggen dat ze pech hebben gehad. Daar kom je niet verder mee. Wij hebben een bewakingssysteem, dat ontwikkeling van kosten en technische cijfers in beeld brengt. Dat gaat steeds preciezer. Bij ons willen ze bijvoorbeeld ook cijfers zien over de kosten van slepende melkziekte en over vruchtbaarheid.”

Veel van de kosten bestaan uit vaste kosten die zijn gemaakt door investering. Wat gaat daar verkeerd?
“Hoge vaste kosten door investeringen zijn eigen aan de melkveehouderij in de lage landen. In de ­intensieve veehouderij zetten veehouders pas een stap om te investeren als ze zeker zijn dat ze voldoende dieren hebben om te produceren. In de melkveehouderij zijn stallen ­gebouwd die nog niet vol zaten toen ze klaar waren. In Nederland wordt een besluit uit een zekere angst genomen. Laten we nu maar bouwen, want volgend jaar zal het misschien niet meer kunnen. En kijk wat er nu gebeurt met de fosfaatrechten.”

Wat moet een veehouder doen die heeft uitgebreid en zijn stal niet vol heeft staan? Fosfaatrechten kopen?
“Lastig. Ik denk dat de Nederlandse melkveehouder in een spagaat zit. Niet groeien kan niet en groeien brengt geen rendement met zich mee, want aankoop van fosfaatrechten brengt een hogere kostprijs met zich mee.”

In België hebben ze geen last van fosfaatrechten.
“Fosfaatrechten zijn niet uniek. Wij hebben de nutriëntenemissierechten (NER), vrij verhandelbaar met dan wel een korting van 25%. Voor één koe plus jongvee heb je circa 180 NER nodig, afhankelijk van de jongvee-aantallen. Hier zijn ook meer rechten beschikbaar bijvoorbeeld uit de vleesveehouderij. En we kunnen ook groeien via mestverwerking. De prijzen voor NER liggen nu op € 3,50 tot € 4, maar zijn al hoger geweest. In ieder geval zijn de bedragen beduidend lager dan de prijzen die je hoort voor fosfaatrechten. Je moet goed kijken naar de vraag of je aan die investering kunt verdienen.”

Welk effect gaan de fosfaatrechten hebben?
“Het is een heel moeilijk verhaal, maar niet alleen voor Nederland. Ook voor België heeft het effect. De Nederlanders trekken de concurrentie in Europa scheef. We krijgen nu al telefoontjes van Nederlandse boeren met de vraag of ze jongvee in Vlaanderen kunnen opfokken. Een Nederlandse boer kan omwille van fosfaatproblematiek meer ­betalen voor jongvee-opfok dan een Vlaamse boer.”

Een invasie van Nederlanders in het grensgebied?
“Nee, dat ook weer niet, maar er gaat een aantal – hoeveel weet ik niet – die stap zetten om over de grens te gaan boeren zoals er ook een aantal gaat stoppen. Als je geen rendement meer kunt halen, is het een normaal economisch proces dat je dan je bedrijf verkoopt en stopt.”

De concurrentiepositie van de Nederlanders wordt er in Europa door de fosfaatrechten niet beter op.
“Klopt. Als nu de kritieke opbrengstprijs op 32 cent per kilo melk zit en boeren gaan die fosfaatrechten kopen, dan gaat die kritieke prijs met centen tegelijk omhoog. Daarmee verliezen de Nederlandse ­veehouders duidelijk terrein in Europa. Nederland heeft al een kostprijsprobleem, ook door de inkrimping van de veestapel. Dat probleem gaat toenemen. Dat is zorgwekkend. De grote vraag is of de zuivel­industrie in staat zal zijn om nog meer toegevoegde waarde te creëren, zodat de opbrengstprijs omhoog gaat.”

Kan Nederland zuivelland die hogere prijzen verwezenlijken?
“Tot nu is de melkprijs dankzij de toegevoegde waarde hoger dan in de meeste andere EU-landen. Het is knap wat FrieslandCampina doet met expansie, maar het pad gaat niet altijd over rozen.”

Bij het melkquotum en bij de grondprijs was ook altijd de redenering dat het niet uit kon, terwijl dat achteraf wel het geval bleek. Waarom zou het met fosfaatrechten niet zo gaan?
“Rendementen uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Ik denk dat heel belangrijk is dat het rendement in de sector nu veel lager is dan in het quotumtijdperk. De melkprijs is volatieler. Hierbij moet je je instellen op het saldo bij lager prijzen voor het bepalen wat fosfaatrechten voor je bedrijf aan waarde hebben.”

En de veehouder zelf, wat moet hij doen?
“De economie centraal zetten. Je boert uit passie en dat moet ook, maar je moet ook geld verdienen. Er zijn er genoeg die dat goed doen. Ze passen de economische grondslagen toe. Wat kost het en wat levert het op. We rekenen rantsoenen uit die 30 cent per koe per dag goedkoper zijn. Dan zie je veehouders die huiverig zijn om op dat rantsoen over te gaan. Ze blijven liever bij het oude. In Nederland praten ze veel over voer zonder dat ze concreet weten wat het is. Laatst een kop in een Nederlands vakblad Voederbiet verdient zich dubbel en dwars terug. Dan zeg ik, reken het maar eens uit. Dat doen ze niet. Nederlanders zijn niet echt met de prijzen bezig. Bij de ondernemersdag in Drachten was er een video-interview met de voorzitter van Fonterra. Het verbaasde me dat niemand de vraag stelde wat zijn verwachting was van de melkprijs in de komende tijd. Als iemand het kan weten, is hij het. Daar gaat het toch om, je moet weten wat de prijzen doen.”

“De cashflow van de melkveebedrijven baart me zorgen”, stelt eigenaar Johan Achten (54) van adviesbureau Liba in Bocholt (B.). Hij pakt er een grafiek bij die laat zien hoe de cashflow per liter evolueert. “Als je naar de afgelopen ­jaren kijkt, daalt de cashflow per kilo melk met gemiddeld 3% per jaar. Een melkveebedrijf kan dit niet halen uit een stijgende opbrengstprijs. Als bedrijf moet je dan per jaar 3% in omvang groeien om steeds over een zelfde bedrijfscashflow te kunnen beschikken. Dit maakt dat je bedrijf op 24 jaar moet verdubbelen om de stijging van de kosten op te vangen. En dat is nog zonder de fosfaatkosten in rekening te brengen. Dit gaat veel melkveehouders in moeilijkheden brengen. Niet groeien is achteruitgaan en groeien levert voor veel bedrijven door dure fosfaatrechten ook geen rendement op. Dit wordt de uitdaging voor de komende jaren.”

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.