Doorgaan naar artikel

Niets doen kost een vermogen

De uitvoering van het melkreductieplan gaat beginnen. Gevolgen heeft het overal; de impact is wisselend. Melkveehouders bepalen hun strategie.

Nu de definitieve invulling van het melk­reductieplan bekend is, kunnen melkveehouders hun strategie bepalen. Voor het ­reductieplan moet elke veehouder dit jaar terug naar het aantal GVE’s (grootvee-eenheden) op 2 juli 2015. Dat gebeurt in vijf perioden van twee maanden. Veehouders die het doel niet halen, betalen per maand € 240 per boventallige GVE. Niet-grondgebonden bedrijven worden 4% gekort op hun GVE-referentie. Veehouders hebben verschillende opties, van helemaal niks doen tot in maart direct aan de GVE-referentie voldoen of geleidelijk afbouwen naar het benodigde aantal dieren. Krimpen van GVE’s kan door koeien te ruimen maar ook door jongvee af te stoten. De beste route hangt onder andere af van de overschrijding, de bedrijfsomstandigheden en de plannen voor 2018 en daarna. Niet-grondgebonden bedrijven moeten vanwege de korting bij dezelfde uitgangspunten wat extra’s doen.

In de berekeningen is een aantal opties die melkveehouders hebben naast elkaar gezet. De berekeningen zijn vanzelfsprekend slechts een indicatie zonder rekening te houden met bedrijfsspecifieke omstandigheden. Er zijn met DLV Advies drie situaties doorgerekend: niets doen, alle jongvee weg of koeien opruimen tot het referentieniveau. Dat is gedaan voor een bedrijf dat niet is gegroeid en een bedrijf dat de afgelopen twee jaar 30% meer koeien heeft staan dan in juli 2015.

In de tabel Harde groeier... staat de situatie voor een niet-gebonden bedrijf; in de tabel Impact grondgebonden… de situatie voor een bedrijf dat aan de voorwaarden van grondgebondheid voldoet: als forfaitaire hoeveelheid fosfaat van mestcodes 100, 101 en 102 kleiner is dan de totale fosfaatruimte van de eigen grond. Categorie 100-dieren produceren, ongeacht hun melkproductie, voor deze regeling 41,3 kilo fosfaat.

Bij jongvee wegdoen zijn er twee keuzes: of uitbesteden bij een opfokker of een deel van het jongvee verkopen en daar in 2018 weer jongvee voor terugkopen. Bij de optie koeien ruimen is uitgegaan van het ondereind wegdoen, waarvoor in 2018 weer melkgevende vaarzen en koeien worden teruggekocht. Er is geen rekening gehouden met een mogelijk positief effect op melkproductie of het algemeen kostenniveau door een verbeteringsslag binnen de veestapel.

De berekening van de heffing, solidariteitsheffing en bonus is gedaan vanuit de situatie dat bedrijven zo snel mogelijk aan de verplichte reductie voldoen. Realiseert een bedrijf de reductie later in het jaar, dan zal het nadeel van te veel GVE’s toenemen. De berekening laat dus de meest gunstige situatie zien.

Meer of minder melk

Voor de verschillende situaties is ook gekeken naar het gevolg op de marge door het leveren van meer of minder kilo’s melk. Hier is gerekend dat een intensief bedrijf voor de laatste koeien op het bedrijf gemiddeld € 0,30 per kilo melk aan toegerekende kosten moet rekenen, inclusief mestafzet. Op een extensief bedrijf is dat € 0,20 per kilo melk. Deze gegevens zijn gebaseerd op gemiddelden vanuit boekhoudrapporten van het afgelopen jaar. Gehanteerde prijzen voor vee staan onder de tabel. Daarbij de kanttekening dat de impact van de regeling op veeprijzen nog onzeker is. Alle posten die positief of negatief effect hebben op de marge ten opzichte van de referentie (geen heffing betalen) zijn opgeteld, wat het saldo economisch effect geeft.Ook in 2018 zullen de gevolgen van de regeling nog voelbaar zijn. In deze berekening wordt ervan uit gegaan dat een bedrijf zo snel mogelijk weer op het productieniveau van voor de korting zit. In de praktijk zal dat niet altijd haalbaar zijn. Ook is geen rekening gehouden met kosten voor aankoop van fosfaatrechten. Het gaat hier immers om een onderlinge vergelijking van situaties en alternatieven.

Jongvee weg

Uit de tabel Harde groeier… blijkt dat bedrijven die sinds juli 2015 niet zijn gegroeid onder de gekozen uitgangspunten dit jaar het beste af zijn met wegdoen van jongvee. Bedrijven die niets doen halen wel wat meer melkgeld op, maar betalen dat dubbel en dwars terug via de heffing.

De optie verkoop van jongvee in plaats van een opfokbedrijf inschakelen is veruit de meest interessante keuze. Het economisch effect in 2017 is voor een bedrijf met 100 koeien dan € 7.327. Dat betekent wel dat het bedrijf in 2018 jongvee moet aankopen. Hier is geteld op basis van een vervanging van 30%. Nog steeds resteert onder de streep het grootste economisch effect van € 3.827 ten opzichte van de referentie. De optie van koeien wegdoen en jongvee laten staan tikt hard door in de opbrengst van melk. Bovendien moeten in 2018 weer duurdere koeien worden aangekocht zodat sprake is van een ongunstige ontwikkeling van omzet en aanwas.

Op het bedrijf dat 30% is gegroeid zijn de bedragen van een andere orde maar de onderbouwing van de keuzes blijft hetzelfde. Ook hier is voor 2017 veruit de beste optie om jongvee af te stoten. Het heeft een economisch effect van € 44.940 in 2017. Als in 2018 weer jongvee aangekocht moet worden, is het € 22.190. Ook is hier de optie om koeien weg te doen niet interessant en vooral de gederfde melkopbrengsten slaan een gat in het saldo. Doormelken kost veruit het meeste geld, namelijk € 88.030.

Een opmerking is dat bedrijven die besluiten geen of minder dieren te ruimen in 2018 meestal weer sneller op volle productie zijn. Afhankelijk van de melkprijs kan dat het economische nadeel ten opzichte van wegdoen van jongvee verkleinen.

Twee voordelen

In de tabel Impact grondgebonden… staat het saldo economisch effect berekend voor het grondgebonden bedrijf. Bedrijven die niet zijn gegroeid hebben geen korting op de GVE-referentie en daar heeft de regelgeving geen gevolgen. De harde groeier heeft in de calculatie twee voordelen ten opzichte van het intensieve bedrijf: er is geen korting en het bedrijf heeft een hogere marge voor de extra koeien die op het bedrijf staan. Dat komt omdat het voor die koeien meestal geen voer hoeft aan te kopen of mest af te voeren.

Ook in deze situatie is economisch effect berekend ten opzichte van de referentiewaarde. Onder de streep heeft het bedrijf dat jongvee wegdoet het meeste voordeel, zowel in 2017 als ook doorgeteld in 2018. Doormelken is ook hier de slechtste optie, ondanks dat extra melk boven de referentiehoeveelheid in die situatie relatief veel geld opbrengt.

Volgens Janneke Straver, adviseur rundvee bij DLV Advies, laat de berekening zien dat melkveehouders echt wel wat te kiezen hebben. “Dat betekent dat ze goed naar hun eigen situatie en plannen na 2017 moeten kijken en aan het rekenen kunnen.” Het is belangrijk niet alleen te kijken naar een heffing, maar naar de totale economische impact. Straver benadrukt dat de beste strategie zeer bedrijfsafhankelijk blijft.Zij verwacht bijvoorbeeld dat het deel dat vanaf 2018 weer volop gaat groeien een combinatie gaat maken tussen heffing betalen en dieren wegdoen.

‘Kritisch naar veestapel kijken’

 

Als grondgebonden bedrijf is de impact voor René Franzen beperkt. Hij kijkt kritisch naar zijn veestapel.
Met een GVE-referentie van 339 voldoet Franzen met zijn 250 melkkoeien en kleine 200 stuks jongvee bijna aan de regelgeving. “Ik denk door wat drachtige vaarzen voor export of binnenland te verkopen en kritisch te selecteren bij de kalveren voldoende ruimte te maken.”
Franzen is de laatste jaren van het quotumtijdperk quotumloos gegroeid en had de ambitie om nu al voor 500 koeien plus jongvee aan het bouwen te zijn. Die plannen zijn geparkeerd. Door de onzekerheid van de afgelopen twee jaar is hij terughoudend geweest in aanhouden van jongvee waardoor de aantallen nu niet ver uit de pas lopen. Ook is geïnvesteerd in grond; met 160 hectare is hij extensief en heeft geen extra korting.
Voor de lange termijn wil hij vasthouden aan zijn plannen voor uitbreiding maar of dat vanaf 2018 al gaat gebeuren hangt met name van de prijs van fosfaatrechten en de melk af. Hij heeft geen haast. “Ik zie nog mogelijkheden voor verdere optimalisatie, ook op het gebied van mineralen.”
Franzen ziet als een bijkomend voordeel van de regelgeving dat ondernemers gedwongen worden kritisch naar hun veestapel te kijken. Bovendien verhuurt hij nu 50 hectare grond, wat een aardige post vaste inkomsten is. “Ik probeer altijd in te spelen op de mogelijkheden die er het moment zijn. Maar in de toekomst wil ik wel doorgroeien naar 500 koeien.”

‘De cashflow maximaal houden’

 

Michiel Scherders moet krimpen maar wil in 2018 weer snel groeien. Hij zoekt het in een combinatie van maatregelen.
Vero JES, het bedrijf van Scherders, zijn ouders en familie De Jong, breidde vanaf 2011 uit naar het huidige aantal van 400 melk- en kalfkoeien, onder andere met de bouw van een stuk nieuwe stal. “Alles is gebaseerd en afgestemd op deze aantallen.” De nieuwe regelgeving gooit roet in het eten want zijn GVE-referentie bedraagt inclusief korting maar 421 stuks. Daardoor moet de ondernemer dit jaar circa 80 GVE’s krimpen. Doormelken is geen optie. “Dat kost me minimaal € 175.000.”
Om de schade te beperken zet Scherders in op een combinatie van maat­regelen. Hij gaat ­kritisch door de ­onderkant van de veestapel, een deel van de drachtige vaarzen gaat weg en hij kan nog wat jongvee stallen bij een buurtbedrijf. “Het uitgangspunt is om de cashflow maximaal te houden.” In de loop van 2017 wil hij zich weer gaan voorbereiden op die extra kilo’s melk. Dat gaat dan waarschijnlijk wel wat boete geven maar anders gaat het ten koste van het rendement in 2018.”
Scherders noemt de impact van de regelgeving enorm, door een verhoging van minimaal 4 cent kostprijs door melkmindering, afboeken van verkocht vee en boete. Ook vanaf 2018 verwacht hij negatieve gevolgen. “2017 en 2018 zouden goeie jaren moeten worden voordat de prijzen weer gaan dalen. Nu gaan we door deze maatregelen de buffer missen die we hard nodig hebben.”

 

‘Jongvee niet op thuislocatie’

 

Frank Toonen zoekt samenwerking met een opfokker maar houdt ook andere opties open. Dat past in de langetermijnstrategie.
Een paar jaar geleden hebben Frank en broer Jan een nieuwe stal gebouwd, op de groei. “Er is plaats voor ruim 500 koeien en er kunnen er wel 150 extra bij.” De regelgeving stak een stokje voor de geleidelijke uitbreiding. Per saldo moet de veestapel nu met circa 70 koeien krimpen.
Toonen wil dat doen via het jongvee-spoor. “Wel was het altijd al de bedoeling om het jongvee niet op de thuislocatie te huisvesten.” Daarvoor hebben de veehouders samenwerking gezocht met een jongveeopfokker. Hij moet samen met deze ondernemer nog kijken welke mogelijkheden de huidige regelgeving biedt. Mocht het onverhoopt toch niet lukken, dan gaat hij op zoek naar andere opties. “Misschien jongvee over de grens houden, er wordt ook over goede mogelijkheden in Oost-Duitsland en Denemarken gesproken.” Verder moeten ze nog 30 koeien krimpen. “Dat zal het probleem niet zijn. Maar ja, het is natuurlijk lachwekkend waar we als sector in zijn beland.”
De plannen voor in en na 2018 heeft Toonen nog niet helemaal op het netvlies. “We willen de stal wel een keer volzetten. Het zal vooral van de prijs van de fosfaatrechten afhangen hoe snel het gaat.” De ondernemers hebben nog een compleet varkensbedrijf en zijn dus niet afhankelijk van de melkveetak. “We willen graag meer gaan melken, maar niet tegen elke prijs.”

 

Voorgesorteerd op de korting

 

Jan Klaasen heeft al voorgesorteerd op de korting. Daar moet nog wat bij maar hij wil niet te veel jongvee wegdoen.
Vorig jaar renoveerden Jan en zijn broer Frans hun ligboxenstal en breidden uit zodat ze op termijn 250 koeien kunnen gaan houden.
“Als er geen standstill en melkreductie was geweest, zouden we dit jaar via eigen aanwas op 160, 170 koeien kunnen zitten”, vertelt Jan. Momenteel staan er ongeveer 120 koeien op het bedrijf en ruim 100 stuks jongvee. Met een GVE-referentie van 155 inclusief korting, betekent dat nog wat extra afvoeren. Aangezien Klaasen tijdens de standstill van zijn zuivelbedrijf al wat pinken en extra oude koeien heeft weggedaan, zit hij de eerste GVE-periode safe.
Hij verwacht ook de volgende heffingsperiode aan de norm te kunnen voldoen. Richting einde van het jaar is het nog onduidelijk; aangezien de ondernemers volgend jaar de korting ongedaan willen maken, is het de keuze tussen de boete voor lief nemen of straks extra vee kopen. “In 2018 willen we toch weer gaan groeien, we hebben de stal niet voor niets zo gerenoveerd.”
Bij de keuze voor het verkleinen van de jongveestapel kiest de veehouder waarschijnlijk niet voor elders opstallen, bijvoorbeeld in België hoewel dat niet ver weg is. “Daar zijn de aantallen weer te klein voor.” Voor de langere termijn sluit hij een samenwerking met een opfokker niet uit aangezien voor groei naar 250 koeien sowieso extra opfokruimte nodig is.

 

Gerekend is met een melkprijs van € 0,35 per kilo melk. De toegerekende kosten van de laatste koeien op een intensief bedrijf zijn € 0,30 per kilo; op een extensief bedrijf € 0,20 per kilo. Het voordeel van geen jongveeopfok is € 0,50, zijnde het verschil tussen kosten voor uitbesteden minus variabele kosten van jongveeopfok. De volgende prijzen per dier zijn gehanteerd: verkoop jongvee (0 tot 2 jaar) voor export gemiddeld € 600, verkoop koeien € 600, aankoop jongvee (0 tot 2 jaar) € 700, aankoop melkkoe € 1.000.

Grondbonden bedrijven hebben korting van 4% op het aantal GVE in juli 2015. Bovendien hebben ze gemiddeld lagere kosten voor het houden van een extra koe. Doormelken en heffing betalen doen zo minder zeer.

Share this

Gerelateerde artikelen

Beheer
WP Admin