Melkvee100Plus
Show article

Stephen Fullerton nam in 1997 het melkveebedrijf van zijn ouders over, met 220 koeien op 80 hectare. Stapsgewijs heeft hij het uitgebouwd en nu melkt hij een kleine 1.000 koeien op 500 hectare. Het slechte imago van de melkveehouderij en de huidige linkse regering maken het boer-zijn er echter niet makkelijker op, waardoor het plezier erin wel langzaam wat minder wordt. Toch ziet Fullerton zichzelf over tien jaar nog steeds als boer.

Midden op een mooie, zomerse dag in januari, rijdend over een rustig landweggetje in Ohaupo, in de buurt van Hamilton, Nieuw Zeeland (NZ). Om je heen alleen weilanden en slechts af en toe een huis. En koeien, veel koeien. Een flinke kudde melkkoeien dicht opeen in een wei. Wat jongvee verderop op een heuvel, in de schaduw van een boom. Een andere groep melkkoeien loopt netjes achter elkaar richting de melkplaats, begeleid door een hond. Het is Millridge Farm, het boerenbedrijf van Stephen Fullerton en zijn zonen Ben en Conner. De hond levert de koeien keurig af bij de voederplaats, die net door een andere groep koeien is verlaten. Die groep staat inmiddels te wachten bij de naastgelegen melkplaats. De veestapel bestaat dan ook uit bijna 1.000 melkkoeien, verdeeld over vier groepen, en nog een paar honderd stuks jongvee.

Bijvoeren

De melkplaats is het centrale punt van dit deel van het bedrijf. Fullerton heeft vier melkplaatsen. Hij heeft kortgeleden de buurman uitgekocht en dat brengt het oppervlak van zijn bedrijf op 500 hectare. Een stal is niet aanwezig, het vee staat het hele jaar door buiten. Er zijn alleen schuren voor opslag en het pasgeboren jongvee.

Voor het melken krijgen de koeien op de voederplaats, een met hekken afgezette verharde plek, een mengsel van kuilvoer, mais en krachtvoer. “Eigenlijk is bijvoeren nog niet nodig”, vertelt Fullerton. “Maar als het gras straks niet snel genoeg meer wil groeien, kom ik te kort. En om niet ineens over te moeten schakelen, voer ik zeker in de zomer elke dag wat bij.”

De veehouder vermengt het voer met water om de beesten wat te koelen. De zomers in dit deel van Nieuw-Zeeland zijn doorgaans warm en zonnig waardoor de koeien het, ondanks de enkele boom of bomen in het weiland, behoorlijk warm kunnen krijgen.

Tijdens het wachten op de melkbeurt in de volle zon worden ze afgekoeld door sproeiwater. Een melkronde voor 180 koeien kost ongeveer een uur, er zijn er 30 tegelijk aan de beurt, en die koude douche tijdens het wachten kunnen ze zichtbaar waarderen.

Ander perceel

Na elke melkbeurt worden de koeien weer naar een ander perceel geleid. “Ik hou het oppervlak waar de koeien kunnen grazen beperkt. Daardoor wordt het goed begraasd en kunnen ze steeds naar een ander perceel”, legt hij uit. In de zomer, als het gras door de droogte maar langzaam groeit, komen de koeien na ongeveer 30 dagen weer in dezelfde wei terecht. In de lente, als er meer regen valt, is de rotatiesnelheid 15 of 16 dagen.

Het land bestaat uit venige grond die niet heel snel uitdroogt. Daar heeft hij geluk mee, want het Waipa District waar Ohaupo onder valt, staat niet toe dat boeren grond- of oppervlaktewater gebruiken voor besproeiing van het land. Echt langdurig droge perioden zijn in dit gebied niet heel gewoon, maar van welige groei is toch lang niet altijd sprake.

Fullerton teelt ook zelf zijn mais, circa 44 hectare en twee jaar achtereen op hetzelfde perceel. In 10 tot 12 jaar is hij rond. “De omstandigheden voor de maisteelt zijn perfect”, zegt hij. Het levert hem ongeveer 30 ton aan droge stof per hectare op. “Heel soms, na een periode van ernstige droogte, moet ik opnieuw zaaien en zaai ik over de oude stompen heen.”

Tweemaal kalveren

In Nieuw-Zeeland is het gangbaar de koeien allemaal tegelijk in de wintermaanden juli en augustus te laten kalveren. Dat is makkelijk en efficiënt en veruit de meeste melk wordt toch verwerkt. Fullerton heeft echter een andere tactiek. Hij kalft tweemaal per jaar, ook in de zomer. “Omdat vrijwel alle kalveren tegelijk geboren worden, de koeien dus tegelijk opdrogen, is de melkproductie in de winter een stuk lager. Voor de verse markt blijft er echter wel vraag naar melk. De melkprijs ligt die maanden daarom aanzienlijk hoger.” Dat tweemaal kalven wel meer werk is, deert hem niet. “Het loont zeker de moeite.”

De perioden van afkalven zijn wel intensief. Per dag komen er dan gerust 40 of 50 kalveren ter wereld. De bevalling gebeurt gewoon in het veld. Ook al kunnen de meeste dames de bevalling uitstekend alleen, toch gaat hij vaak het land op om dat te controleren. Zijn werkdag begint dan al om 4:30 uur in plaats van 5 uur en duurt tot laat in de avond. “Van alle kalfjes moet DNA afgenomen worden en ze krijgen een nummer. Zo’n twaalf uur na de geboorte breng ik ze naar de schuur. Daar blijven ze tot ze een week of zes oud zijn, dan gaan ze naar buiten’.

Nieuw-Zeelandse Fries

Een koe gaat gemiddeld vijf jaar mee. Per jaar vervangt hij 25 tot 40% van zijn veestapel. De New Zealand Friesian is volgens hem het beste ras. “De melk van de zwartbonte heeft het hoogste vetpercentage en dat wordt, in tegenstelling tot vroeger, het best betaald.” Zijn dames produceren gemiddeld 35 liter melk per dag met een percentage van 4,5% vet en 3,5% eiwit.

Maar de Fries heeft nog een ander voordeel ten opzichte van de Jersey. Het vlees is ook erg gewild. “De jonge koeien die afgevoerd worden leveren nog veel op vanwege het mooie, rode, vlees. Het vlees van de Jersey’s bijvoorbeeld, is veel witter en dat willen de mensen niet. Dat vlees wordt verwerkt, tot diervoer bijvoorbeeld, en levert daarom veel minder op.”

Dat hij voor Friezen kiest, betekent trouwens niet dat er genetisch ook nog maar iets Hollands in zit. “De Nederlandse genen voelen zich niet thuis in Nieuw-Zeeland. Hier staan de koeien het hele jaar buiten, in de warmte, en moeten ze lopen. Dat zijn de Hollandse genen allemaal niet gewend. De Hollandse Friezen zijn ook veel zwaarder dan de onze.” Voor de inseminatie maakt hij gebruik van een mix van circa 10 stieren, die hij via de computer uitkiest.

De jonge stierkalveren verkoopt hij vrijwel allemaal als vleeskoeien, de jonge vaarskalveren die niet voldoen, worden al een paar dagen na geboorte naar het abattoir gereden. De te witte koetjes vallen zeker af. De krachtige Nieuw-Zeelandse zon veroorzaakt te vaak huidkanker.

Verdomhoekje

Fullerton heeft het nog steeds naar z’n zin als boer en denkt dat de komende tien jaar zeker nog te blijven. Ook zijn zoons zien het nog steeds zitten om het bedrijf voort te zetten. Maar Fullerton merkt wel dat het plezier beetje bij beetje begint af te kalven. “Vroeger werd je als boer respectvol behandeld. Inmiddels verandert de publieke opinie en worden de boeren als dé grote vervuilers gezien. De huidige, groene, regering is ook niet echt op onze hand. Dat maakt het wel lastig om de steeds weer verder aanscherpende regels als een uitdaging te blijven zien.”

Hij doelt dan bijvoorbeeld op de dreigende invoering van een belasting op de meerwaarde van land. De grondprijs is al jaren aan het stijgen en bedraagt inmiddels circa € 30.000 per hectare. Maar ook de beperkingen op gebied van stikstof en fosfaat en het politieke beleid om het aantal koeien te verminderen ziet hij als bedreigingen. “Het is onbegrijpelijk hoe de boeren ineens in het verdomhoekje zitten. Dat is veroorzaakt door de komst van die enorme bedrijven op het Zuidereiland. Die zouden de meren te veel vervuilen. Het is echter nooit bewezen dat de boeren (alleen) verantwoordelijk zijn voor de vervuiling van de meren. En het was de overheid die een aantal jaar geleden het vergroten van de melkveestapel gestimuleerd heeft.”

Minimale winstmarge

De ontwikkeling van de melkprijs is nog zo’n ergernis. “Ik krijg ongeveer NZ$ 6,- per kilo vaste stof. Dat is ongeveer hetzelfde als 20 jaar geleden. Maar dat zou het dubbele moeten zijn, de kostprijs is immers ook verdubbeld. De winstmarge is gedaald tot 1 of 2%. Je kunt er nauwelijks nog van leven.”

Die negatieve opinie en de huidige uitdagingen hebben ook wel hun weerslag, merkt hij. “De waarde van de bedrijven neemt af, er staan er veel te koop. Veel kinderen willen het bedrijf van hun ouders niet meer overnemen. Die zien hoe hard je moet werken en hoe slecht dat beloond wordt.”

Maar ook aan de andere kant ervaart hij problemen. Er zijn nauwelijks nog gemotiveerde werknemers te vinden. Hij heeft nu zes mensen vast in dienst, allemaal uit het buitenland, en soms nog een student voor zes maanden. “Volgend jaar heb ik ongeveer 1.200 koeien te melken. Dan zou ik er graag nog twee of drie man bij hebben, maar die zijn in Nieuw-Zeeland echt niet te vinden.”

Dat al die tegenwerkingen de vlam bij hem niet kunnen doven, bewijst hij door nog steeds alles zelf te doen. “Ik kom nog steeds iedere dag om 5:00 uur mijn bed uit om zelf te gaan melken. Er zijn niet veel vijftigers meer die dat nog iedere dag doen. Die besteden meer en meer uit. Vooralsnog werk ik overal aan mee, en als het aan mij ligt, blijft dat voorlopig nog zo.

 

Millridge Farm in Ohaupo, Nieuw Zeeland, is het melkveebedrijf van Stephen Fullerton (51) en zijn zoons Ben (27) en Conner (24). Ze melken krap 1. 000 koeien op 500 hectare. In 2020 zullen ze er 1.200 melken. De productie bedraagt gemiddeld 35 liter melk per dag per koe, met een vetpercentage van 4,5% en 3,5% eiwit. De melk wordt dagelijks opgehaald door Fonterra, de grootste melkcoöoperatie van het land. De winstmarge bedraagt slechts 1 à 2%.

Gerelateerde artikelen

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.