Melkvee100Plus
Show article

Een mastitisprobleem vraagt gerichte aanpak, afhankelijk van de soort bacterie. Focus op management, verlaag de infectiedruk en verbeter de weerbaarheid

Wanneer er te veel klinische mastitis voorkomt, of het celgetal loopt op, is het zaak daar snel en adequaat op te reageren. Want uiergezondheidsproblemen kunnen snel uit de hand lopen.

Veelal worden ziekteverwekkers verdeeld in de typisch koegebonden bacteriën en de typische omgevingsbacteriën. Streptococcus agalactiae en Staphylococcus aureus zijn de echte koegebonden kiemen, waar Escherichia coli en Klebsiella juist de echte omgevingskiemen zijn. Daarnaast is er nog een groep die zowel omgevingsgebonden en koegebonden kenmerken en overdracht hebben.

Christian Scherpenzeel, dierenarts en uiergezondheidsdeskundige bij Royal GD: “Overigens is het nooit zwart wit bij kiemen. Er zijn wel voorbeelden dat echte omgevingskiemen ook via de melkstal kunnen worden overgedragen, of dat koegebonden ziektekiemen ook via de omgeving verspreid kunnen worden.” Maar in de advisering geldt dat de focus vooral gericht moet worden op het vlak waar de meeste en directe winst kan worden geboekt. Bij de ziekteverwekkers die meer in het midden zitten gaat het vooral om niet-aureus stafylokokken (NAS, voorheen CNS). Recent maakte Royal GD bekend dat zij binnen deze groep de belangrijkste specifieke soorten kan aanwijzen, waardoor een gerichte aanpak toch weer iets eenvoudiger wordt.

Weet tegen wie je vecht

Otlis Sampimon, Area Veterinary Manager bij Zoetis: “Om een gerichte aanpak uit te stippelen móet je eerst weten met welke bacteriën je te maken hebt. Via tankmelkonderzoek en gericht bacteriologisch onderzoek krijg je daar zicht op. Zonder deze informatie kan je geen goed strijdplan maken.”

Bij de meer koegebonden bacteriën moet de focus op het voorkomen van overdracht van de kiemen via de melkstal komen te liggen. Kijk naar de wijze van werken in de melkstal. Worden er handschoenen gedragen? Welke manier van voorbehandelen en reinigen van de uiers wordt toegepast? Is het nodig om een natte meting uit te voeren om de werking van de melkmachine te controleren? Dan wordt bijvoorbeeld vastgesteld hoe hoog het kopvacuüm is of dat er schommelingen in het vacuüm voorkomen. Daarbij hoort ook het tijdig vervangen van de tepelvoeringen.

Schoon en droog

Als je weet dat je met een omgevingskiem te maken hebt, kijk je vooral naar de hygiëne in de stal. In de stal geldt het motto ’schoon en droog’. Denk dan aan het vaker schoonmaken van de boxen, verwijderen van natte of vieze plekken en zorg voor schone droge roosters. Dat kan betekenen dat je de mestschuif of mestrobot vaker moet laten lopen. Desnoods ga je er zelf tussendoor nog eens met een vloertrekker overheen. Een schone box geeft minder risico op besmetten of vervuilen van de speenpunten. Een droge loopvloer zorgt voor minder opspattende mest. Sampimon: “Het kan goed zijn dat je dan ook in gesprek moet met je voerleverancier om er via aangepaste voeding voor te zorgen dat de mest wat dikker wordt. Dikkere mest op de vloer spat nu eenmaal minder op dan heel dunne mest.”

Als je dan toch in gesprek bent met je voerleverancier, is het ook zaak om de dekking van de behoefte op energie en eiwit te controleren en dan kan ook de voorziening van vitaminen, mineralen en spoorelementen worden berekend. Een goede voorziening van energie, eiwit en mineralen zorgt dat de weerstand van de koe vanuit de voeding in elk geval geborgd is. Scherpenzeel: “Zo hebben molybdeen, zink en mangaan invloed op de weerbaarheid van de koe. En kijk ook naar de uierhygiëne en de mate waarin het slotgat snel sluit. Het slotgat sluit, naast de vorming van een keratineplug, met behulp van een spiertje en bij koeien met een lage calciumspiegel verloopt het sluiten minder snel. Daar kan een barrièredip bijvoorbeeld helpen. Monique Driesse, rundveedierenarts bij Boehringer Ingelheim: “Ook de conditie van de spenen is belangrijk. Vereelte of rafelige spenen zijn meer gevoelig voor indringers van buitenaf. Bij matige speenconditie moet je dus altijd de werking van de melkmachine nalopen, ook als je te maken hebt met een omgevingsgebonden kiem.” Naast de speenconditie is ook de lichaamsconditie (BCS) van belang. Zorg dat de koeien met een goede speenconditie en een BCS van 3 à 3,5 de droogstand ingaan.”

Bereid de koe goed voor op de droogstand

De droogstand is de periode die benut kan worden voor herstel van het uierweefsel, eventueel ondersteund met antibiotica als het celgetal daar aanleiding toe geeft. Bij afkalven kan dan in de eerste weken na lactatie beoordeeld worden of de ingezette strategie ook tot resultaat heeft geleid.
De droogstand is echter ook een periode waarin koeien al besmet kunnen worden met een kiem die pas in de lactatie tot uiting komt. Christian Scherpenzeel, dierenarts en uiergezondheidsdeskundige bij Royal GD legt het belang uit: “De helft van alle omgevingsgebonden klinische mastitisgevallen in de eerste 100 dagen van de lactatie vindt zijn oorsprong in een infectie opgelopen tijdens de droogstand.” Daar kunnen een barrièredip en teatsealers toegevoegde waarde bieden. Een barrièredip geeft bescherming van buitenaf. De dip wordt gebruikt na droogzetten van de koe en voor het afkalven. Scherpenzeel adviseert eenmaal twee weken voor afkalven bij de opuierende koeien te dippen en een week voor afkalven nog een keer.

Gebruik teatsealers
“Voor het droogzetten is het raadzaam om de lichaamsconditie en de speenconditie goed op orde te hebben. En zet de koeien droog bij een dagproductie onder 12 kilo melk. Dat geeft de beste kans op een geslaagde droogstand”, geeft Monique Driesse, rundveedierenarts bij Boehringer Ingelheim aan. Naast een barrièredip kan je ook een interne teatsealer gebruiken om de spenen af te sluiten. Driesse: “Los van het merk dat je gebruikt is het van belang dat je de juiste hygiëne in acht neemt bij het inbrengen van de teatsealer. Het liefst met een korte injectorpunt om niet te diep in de speen te gaan en zo minder risico hebt op het inbrengen van ziekteverwekkers en er minder kans is op beschadiging van het slotgat en het tepelkanaal.” Zij ervaart dat koeien steeds minder snel op natuurlijke wijze een keratineplug aanmaken om de speen zo af te sluiten. “Een interne teatsealer vervangt als het ware de natuurlijke keratineplug.” Uit een grote enquête uitgevoerd door Boehringer Ingelheim blijkt dat rond 70 % van de veehouders bij meer dan de helft van de koeien ook een teatsealer in zet, al dan niet in combinatie met antibiotica.”
Driesse adviseert om een goede administratie bij te houden welke koeien een interne teatsealer hebben gekregen. “Deze moet immers na afkalven worden verwijderd.”
In de droogstand moet extra aandacht worden gegeven aan beschikbaarheid van voer en water, de juiste boxafmetingen en vooral de hygiëne van de huisvesting. Met name als de koeien naar het afkalfhok gaan geldt dat. Vaak is dat een strohok, die niet elke keer wordt uitgemest, maar meer opgezet is als een potstal. Daar moet dus steeds vers stro worden ingestrooid om te zorgen dat de koe schoon en droog kan liggen.

Genetische weerbaarheid

Bij de weerbaarheid gelden twee aspecten. Het eerste aspect is de eigen aanleg voor weerbaarheid. Sampimon verwijst graag naar Clarifide Plus. Dit is een genetische test die voor meer dan 90 kenmerken de genetische aanleg van de dieren in kaart brengt. Naast de gangbare waarden voor aanleg voor vet-, eiwit- en melkproductie onder andere ook voor de gezondheidskenmerken zoals weerbaarheid tegen mastitis. “We zien gewoon dat dieren met een hoge aanleg voor weerbaarheid tegen mastitis onder gelijke omstandigheden minder vaak geconfronteerd worden met uiergezondheidsproblemen in de lactatie dan de dieren met een lagere erfelijke weerbaarheid.” Doel is om al op jonge leeftijd de weerbaarheid in kaart te brengen en daar de selectie op aan te passen. Het advies is dan om eenmalig te investeren om de genetische aanleg van alle kalveren en jongvee in kaart te brengen. Daarna kan je eens per maand of eens per twee maanden van de vaarskalveren een haarmonster insturen. Dat houdt de kosten ook overzichtelijk. Een genetische test via Clarifide Plus kost € 47,50 per onderzoek en verdient zich terug door verbetering van de genetische aanleg voor gezondheid van de veestapel.

Toegevoegde weerbaarheid

Het tweede aspect is het verbeteren van de weerbaarheid via vaccinatie. Jessica Hartjes, dierenarts en Business Unit Manager bij Hipra, geeft aan dat de organisatie in Nederland twee vaccins levert. Dat zijn Startvac en Ubac. Startvac is al ruim tien jaar op de markt en is een vaccin dat werkt tegen coliformen (zoals E. coli en Klebsiella, S. aureus en niet-aureus stafylokokken (voorheen CNS). Ubac is sinds 2018 op de markt en is het enige vaccin dat werkt tegen Strep. uberis. Het zijn ook de enige twee vaccins tegen mastitisverwekkers die in Nederland verkrijgbaar zijn. Hartjes: “Voor een juiste toepassing geldt ook hier dat je aandacht moet schenken aan het optimaliseren van het management. Je moet je voorstellen dat de kans op een klinische mastitis wordt bepaald door de balans tussen infectiedruk enerzijds en de weerbaarheid van de koe anderzijds. Door te vaccineren wint de weerbaarheid van de koe het eerder van de infectiedruk. Verlaag je hierbij ook nog de infectiedruk door een beter management, dan is de winst nog sneller behaald.”

Met het verbeteren van het management verminder je de infectiedruk. Met vaccineren verhoog je de weerbaarheid van de koeien. Zowel Hartjes als Scherpenzeel geven aan dat je moet enten tegen de kiemen die ook werkelijk dominant voorkomen op je bedrijf. Daarom is onderzoek naar de verwekkers zo belangrijk. Scherpenzeel: “Omdat je moet weten waar je tegen vecht. Als er bijvoorbeeld weinig tot geen Strep. uberis voorkomt, draagt het niet bij daar tegen te vaccineren.”

Hartjes: “Tenzij je het puur preventief in wilt zetten om bijvoorbeeld ernstige E. coli mastitis te voorkomen. Het is juist de combinatie van verlagen van infectiedruk én verhogen van de weerstand die maakt hoe succesvol de vaccinatiestrategie is en dat je op redelijk overzienbare termijn grote stappen kan zetten.” Wat vaccineren kost is lastig aan te geven doordat tussen de dierenartspraktijken verschil zit in facturatiewijzen en abonnementsvormen. “We weten uit een veldstudie op 33 bedrijven dat elke geïnvesteerde euro in vaccinatie met Startvac er drie opleveren. Dat komt onder meer door hogere melkproductie, lagere dierenartskosten voor behandeling van klinische mastitis en lagere kans op afvoer waarmee vaccinatie een langere levensduur initieert. Als je weet dat een klinische mastitis gemiddeld iets meer dan € 300 kost is een vaccinatie al snel terugverdiend.

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.