Melkvee100Plus
Show article

Het aantal grote melkveebedrijven is de afgelopen jaren verder gestegen. Inmiddels zijn er meer dan tien bedrijven met meer dan 650 melkkoeien. Sommige uit deze groep maken echter andere keuzes dan groei in aantallen.

Zes jaar geleden bracht Melkvee100Plus de top 10 van de melkveehouderij in beeld. Bij een nieuwe inventarisatie blijkt dat er wel wat wisselingen hebben plaatsgevonden. Wat gelijk is gebleven is dat het Noorden dik oververtegenwoordigd is; van de 12 grootste bedrijven bevinden zich er 8 in de Friesland, Drenthe en Groningen, waarvan 4 in Friesland.

Waar zes jaar geleden nog een aantal bedrijven met 500 koeien in de top 10 stonden, zijn er die nu niet meer. Nu ligt de ondergrens bij 650 koeien; zes jaar geleden waren dat er nog maar 4 met dat aantal. In 2011 waren er maar 2 bedrijven met meer dan 500 koeien. Uit cijfers van het CBS blijkt dat de tien grootste bedrijven gemiddeld 1.071 koeien hebben in 2019 bij 525 hectare grond. Voor het gemiddelde bedrijf is dat respectievelijk 101 koeien en 56 hectare.

De grote bedrijven zijn verschillend qua opzet en organisatie. De meesten bestaan uit één locatie, een aantal (zoals Schep uit de reportage) heeft er twee. Er zijn vader/zoon-bedrijven, maar ook familiebedrijven met twee of drie broers. Ook is er een samenwerking tussen meerdere ondernemers (Duiven en Den Otter uit Dwingeloo). Bij dit bedrijf bleef het aantal koeien ongeveer gelijk op 700 stuks.

Ondanks dat de meeste grote bedrijven zich in het Noorden van het land bevinden, is het onbetwist grootste bedrijf nog steeds van de gebroeders Van Bakel uit Vredepeel. Stond de teller zes jaar geleden nog op 1.300 koeien; inmiddels staan er zo’n 2.250 in de Limburgse stallen.

John van Iersel uit Nederweert (L.) is de tweede grote veehouder onder de rivieren. De teller staat nu op circa 580 koeien maar de ondernemer wil richting 650 stuks groeien. Dan staat de stal goed vol en is volgens hem optimaal aantal voor de locatie. Een andere grote ondernemer in het Zuiden is Ad Buijs uit Rosmalen. Hij heeft op de thuislocatie in Brabant zo’n 500 koeien maar de zoon melkt in het Noorden er ook nog eens ruim 400. Het zijn naar eigen zeggen wel afzonderlijke bedrijven. Nog meer dan in het Noorden hebben Zuidelijke ondernemers te maken met moeizame vergunningverlening en grondgebonden groei is voor deze intensieve bedrijven niet gemakkelijk.

Tussen 500 en 600 koeien

Opvallend is dat er na de top 10 een grote groep bedrijven komt met zo’n 500 tot 600 melk- en kalfskoeien. Een aantal daarvan behoorden zes jaar geleden nog bij de grootste bedrijven. Een enkeling is afgeschaald door fosfaatregelgeving of bedrijfssplitsing maar de meeste zijn wel gestaag gegroeid.

Zo staat de teller bij familie Van Weperen in Oosterwolde (Fr.) nu op circa 580 koeien. “We hebben in 2013 een nieuwe stal gebouwd voor ongeveer 600 koeien dus daar hebben we naartoe gewerkt”, aldus zoon Jan van Weperen. De aankoop van een buurtbedrijf versnelde die ontwikkeling. Van Weperen ziet nog een beetje ruimte om te groeien, maar richt zich voornamelijk op meer melk per koe en optimalisatie. “We melken nu 5,5 miljoen, we streven naar 6 miljoen kilo. Dat is een mooie hoeveelheid voor deze locatie.”

Naar 800 of 1.000 koeien groeien is zeker geen doel. “Ik zie daarin geen meerwaarde, ook omdat ik het op termijn het bedrijf alleen zal runnen. Ik werk liever aan verbetering van de technische en economische resultaten.” Toekomstige ontwikkeling voorziet hij vooral in meer grond onder het bedrijf krijgen. Niet alleen wil de overheid meer grond, maar ook ziet hij praktische voordelen. Jaarlijkse grondruil met akkerbouwers pakt goed uit en in grote blokken gaat dat nog gemakkelijker en efficiënter.

Trekken eigen plan

Uit gesprekken met de grootste bedrijven vallen een aantal zaken op. Het wegvallen van het melkquotum en komst van fosfaatrechten heeft voor de meesten nauwelijks directe invloed op groeiambities. Deze bedrijven trekken en trokken hun eigen plan. Zo ging Van Vliet uit Drijber terug van 700 naar 650 koeien. Ontwikkeling is door een bedrijfsovername en stikstof even on hold gezet maar de verwachting is dat er op termijn weer groei plaatsvindt.

Bijna overal staan plannen door stikstof op een lager pitje. Groei is geen doel, maar wel een mogelijkheid om het bedrijf efficiënter in te richten en goedkoper te werken. Opvallend vaak wordt ‘optimalisatie’ van de locatie genoemd. Soms doet een kans zich voor; zo kon Den Eelder in Well een buurtbedrijf overnemen en maakte een sprong van 500 naar de huidige 670 koeien.

Andries Jan de Boer, adviseur van Agro3D Advies met veel grote melkveebedrijven als relatie, ziet wel een kentering met voorheen. “Ontwikkeling is steeds lastiger. Dat ligt niet aan ondernemerslust of vaardigheden maar met name aan beperkingen vanuit de omgeving, dus vergunningen en maatschappelijke issues.”

Bij deze groep is er duidelijk bewustzijn van de bijzondere plaats die ze innemen in de sector. Ze merken dat mensen binnen en buiten de sector met andere ogen tegen hun bedrijven aankijken. De grote aantallen spreken binnen de sector tot de verbeelding, maar voor (een deel van de) burgers en politiek is megabedrijf inmiddels een besmet woord.

Een aantal ondernemers benadrukt dat ze niets anders zijn dan een traditioneel melkveebedrijf, alleen is alles een maatje groter. “Ik zie veel initiatieven waarbij het bedrijf open wordt gesteld voor de omgeving, wat vaak heel positief uitpakt”, stelt De Boer. “De bedrijven liggen er vaak netjes en goed georganiseerd bij. Beheersland, oog voor dierwelzijn en natuur zijn thema’s die ook hier sterk aandacht krijgen.”

Een ander typisch aspect is de kapitaalbehoefte bij verdere groei. “Er zijn bedrijven die heel goed draaien maar ook waar de marge zeer karig is in jaren met een lage melkprijs. De post betaalde arbeid is natuurlijk per definitie vrij hoog op dergelijke bedrijven.” Als ook kosten voor voer en mestafzet toenemen als gevolg van groei met weinig grond, kan het rendement onder druk komen. Maar De Boer ziet dat als groei met veel grond gepaard gaat, de financieringslasten en bewerkingskosten oplopen. “Operationele perfectie en aansturing van personeel maakt hier het verschil.”

‘Geen groei, maar optimalisatie’

Johan Schep was in 2014 de in grootte tweede melkveehouder van Nederland met circa 750 koeien. Vandaag staat hij nog steeds in de top 10 maar ligt het aantal koeien met 660 stuks wel wat lager. Een bewuste keuze, legt de ondernemer uit. “De afgelopen jaren hebben we niet gekozen voor groei, maar optimalisatie van locaties.”
Dat is niet helemaal een verrassing. Zes jaar geleden gaf hij al aan dat groei geen doel is, wel een optimaal aantal dieren per locatie. De ondernemer heeft bewezen rationeel te ondernemen en strak te focussen op doelen.
Op het melkveebedrijf in het Friese Boijl stonden zes jaar geleden nog droge koeien en jongvee. Inmiddels is de locatie verkocht en heeft binnen de twee andere bedrijven een reorganisatie plaatsgevonden. Op de locatie in het Zuid-Hollandse Bergambacht, middenin het Groene Hart, worden nu 240 koeien gemolken met vier melkrobots. Ook staat er 130 stuks jongvee. “We kunnen het werk met twee fte’s rondzetten en het voeren is uitbesteed.” Iets meer dan 2.000 liter per robot is het maximum hier en alles is volgens hem in balans. Op dit bedrijf produceert hij melk en zoekt met Farmel, waar Schep mede-eigenaar van is, naar mogelijkheden voor verwaarding van andere melkstromen. “We zitten hier middenin de zogenoemde ‘cheese valley’, dus dat biedt mogelijk­heden om melk onder andere aan kaasmakers te verkopen.”
In het Friese Zandhuizen staat de tweede locatie met 420 koeien en 290 stuks jongvee. Hier worden de koeien in de melkput gemolken. Het is een heel andere productieomgeving en heeft mede daardoor een eigen opzet. “Ons doel is hier om veel liters tegen een lage kostprijs te kunnen maken.” Arbeid is minder een probleem dan in Zuid-Holland dus de noodzaak om te investeren in automatisch melken is er nu niet.
Ook voor hem als ondernemer is groei in aantal dieren geen doel. “We hebben veel zaken aangepakt binnen de bedrijven en dat geeft zeker zoveel voldoening als meer koeien gaan melken.” Het feit dat er met pakweg 100 koeien minder dan in 2014 nu net zoveel melk wordt geproduceerd, geeft aan dat die strategie is geslaagd. Binnen het melkveebedrijf sluit Schep niet uit in andere bedrijfsonderdelen te investeren, zoals mestverwerking of vergisting. Daarnaast kan hij zijn ondernemersambities kwijt in andere takken van sport zoals de makelaardij en binnen Farmel.

Auteur

Rene%20Stevens
René Stevens is sinds 2000 freelance redacteur bij Boerderij.

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.