Melkvee100Plus

Aandachtspunten bij de zaai van maïs

partnerinfo KWS 10 apr 2017
Show article

Nu het moment om maïs te zaaien weer in beeld komt, is het belangrijk om hier voldoende tijd aan te besteden. Dit betaald zich aan het eind van het groeiseizoen uit in de vorm van een goede opbrengst en kwaliteit. Een aantal aandachtpunten helpen u om de zaai van maïs verder te optimaliseren.

Zorg voor de juiste zaaibedbereiding en zaaidiepte

Om een snelle opwarming van de grond in de lente te verkrijgen, moet de grond los, kruimelig en zonder verdichtingen zijn. Als regel geldt: vast wortelbed, kruimelig zaaibed. De zaaidiepte moet zo worden gekozen, dat het zaad in vochtige grond wordt gelegd. Via capillaire bodemwerking moet de vochthuishouding in elk geval gegarandeerd zijn. Alleen dan kan het voor de zwelling benodigde water opgenomen worden, en een hoge veldopkomst bereikt worden.

Als vuistregel moet bij een zware grond een zaaidiepte van 3 – 4 cm worden nagestreefd en bij lichtere grond 5 – 6 cm. Een te oppervlakkige uitzaai houdt het risico in dat het zaadgoed, eventueel direct na kieming, uitdroogt. Bovendien is bij oppervlakkige zaai de verankering van de plant in de grond slechter met een groter risico op legering als gevolg. Verder kunnen bij de onkruidbestrijding herbiciden een negatieve invloed op de zaden en kiemplantjes uitoefenen. Een diepere uitzaai (7 – 8 cm) verzekert vooral in droge jaren de noodzakelijke toevoer van water. Een zaaidiepte van meer dan 8 cm vraagt teveel energie van het jonge maïsplantje, dat daardoor gevoeliger wordt voor kiemschimmels.

In het geval van een vroege zaai is een minder diepe zaai mogelijk, aangezien er normaal gesproken voldoende vocht in de bovenlaag beschikbaar is en de opwarming van het zaaibed dan nog de begrenzende factor is. Hou wel de minimale zaaidiepte van 3-4 cm aan met het oog op eventuele vogelschade.

Zaai niet te vroeg en niet te laat

Een te vroege zaai van de maïs geeft kans op een slechte en trage kieming door de te koude grond en/of kans op schade door nachtvorst begin mei. Een te late zaai geeft eenvoudigweg een korter groeiseizoen en daarmee kans op een gebrekkige afrijping en daarmee kwaliteitsproblemen. Het beste zaaitijdstip ligt tussen 20 april en 10 mei, en wat nog belangrijker is, bij een bodemtemperatuur op zaaidiepte vanaf 10 graden.

Is late zaai, bijvoorbeeld bij zaaien na een eerste snede gras, een bewuste keuze, pas daar dan de rassenkeuze op aan. Het is dan beter om te kiezen voor zeer vroege tot vroege rassen, in plaats van middenvroege maïsrassen.

Let op de juiste zaaidichtheid

De gewenste zaaidichtheid oftewel de zaaiafstand tussen twee zaden in de rij (bij 75 cm rijenafstand) en het gewenste aantal zaden per hectare is afhankelijk van de vroegrijpheidsklasse (FAO) waarin het ras valt en het gebruiksdoel (snijmaïs of korrelmaïs).

Het is belangrijk om direct na de start van het zaaien van de maïs, naast de zaaidiepte, ook de zaaidichtheid te controleren. Op deze manier kan er bij eventuele zaaifouten, direct gecorrigeerd worden.

Bijbemesten van kalium is belangrijk!

Kalium speelt een sleutelrol bij de activering van talrijke enzymen in de stofwisseling van de plant. Zo neemt kalium deel aan de vorming van koolhydraten en andere inhoudstoffen. Bovendien is kalium verantwoordelijk voor de instandhouding van de osmotische druk in de cellen en daarmee dus voor de regulering van de waterhuishouding. Kalium draagt namelijk bij aan de droogteresistentie van maïs en zal bij een goede kaliumvoorziening daarom minder snel onderhevig zijn aan droogtestress. Een goede kaliumvoorziening draagt tevens bij aan de legervastheid, de weerstand tegen stengelrot en is belangrijk voor de kolfvorming.

Een tekort aan kalium kost opbrengst, hoewel dit niet altijd beoordeeld kan worden aan de hand van de stand van het gewas. Zoals alle koolhydraatrijke gewassen heeft maïs een grote behoefte aan kalium. Monitoren van de hoeveelheid voor de plant beschikbare kalium in de bodem kan eenvoudig door grondonderzoek. Om de exacte kaliumbehoefte te bepalen, dienen ook de resultaten van het organische mestonderzoek in acht genomen te worden.

Striktere mestwetgeving qua bemesting maakt dat het belang van een bijbemesting met kalium, maar ook een mogelijke aanvulling met magnesium en zwavel op maïsland extra moet worden benadrukt. Daarbij mogen de belangrijke sporenelementen zoals borium, mangaan, zink etc. niet vergeten worden.

Met een gerichte kaliumgift wordt de basis gelegd om te zorgen dat de noodzakelijke kaliumbuffer in de bodem aanwezig is tijdens de intensieve groeifase van de maïsplant. Tevens heeft maïs door zijn zeer grote bladvolume een hoge magnesiumbehoefte van 70 kg MgO per hectare. Een aanvullende zwavelbemesting verbetert daarnaast de stikstofbenutting van de maïsplant en stimuleert daarmee de proteïnevorming.

Bereken met behulp van de tool Bemestingsbalans op de KWS-Maïsmanager App hoeveel extra kalium er bemest dient te worden. De kalium kan het beste volvelds gestrooid worden rond de periode van zaai en bij voorkeur voordat de planten opkomen.

Sponsor

KWS

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.