Melkvee100Plus
Show article

Bedrijven met de hoogste geldstroom doen het op alle fronten beter, blijkt uit een analyse van Flynth. Deze topbedrijven boeken 2,5 keer hogere winst dan gemiddeld. Ze hebben een hogere melkprijs en over de hele linie lagere kosten. Productie en omvang wijken niet af van andere bedrijven.

Wat doen de economisch beste melkveebedrijven anders dan het gemiddelde bedrijf? Met die vraag heeft Henk van Dijk, bedrijfskundig adviseur bij Flynth, een analyse gemaakt van de technische en economische gegevens van alle klanten. Daarbij is gesorteerd op het kengetal geldstroom per 100 kilo melk. Dat is omdat betaalde arbeid, netto privé-onttrekkingen, rente, aflossing en pacht dan geen invloed hebben. “Op die manier komen de technisch best presterende bedrijven bovendrijven die ook een veel hogere reserveringscapaciteit hebben”, aldus Van Dijk.

Voor de analyse zijn de 20% beste bedrijven op basis van geldstroom vergeleken met de overige 80% en het totaalaantal bedrijven. In totaal gaat het om bijna 1.500 bedrijven. Er is gekozen voor 20%, omdat bij dat percentage nog genoeg bedrijven in de categorie kopgroep vallen om betrouwbare trends te krijgen. De gegevens zijn van het jaar 2015, omdat het accountantskantoor nog niet alle data van vorig jaar heeft verwerkt. Bijkomend voordeel is dat de melkprijs dicht bij de begrotingsnorm ligt. Kosten voor melkquotum (superheffing, lease en afschrijving) zijn buiten het overzicht gehouden.

Lager kostenpatroon

In de tabel Fors meer geld met evenveel koeien staan de belangrijkste kenmerken van de twee selecties. Bij de beste bedrijven is de bruto geldstroom € 21,05 per 100 kilo melk. Bij de rest is dat € 13,77. Dat komt ook terug in de winst: die is € 10,52 per 100 kilo melk op de betere bedrijven en € 4,03 bij de rest. Anders gezegd: de kopgroep haalt een winst die 2,5 keer hoger ligt dan bij de andere bedrijven.

In de bedrijfstypering valt op dat de twee typen bedrijven nagenoeg even groot zijn: de kopgroep heeft afgerond 107 melkkoeien en de rest 104. Ook leveren ze op jaarbasis met respectievelijk circa 864.000 en 874.000 kilo bijna evenveel melk af. De jongveebezetting is op de beste bedrijven een fractie lager.

Er zijn ook verschillen. De kopgroep heeft opvallend meer grond onder het bedrijf: 49,69 tegen bijna 41,54 hectare. De betere bedrijven hebben mede daardoor ruim 3.100 kilo minder melk per hectare. Opvallend is dat koeien wat langer meegaan en de uitval van kalveren en koeien een stuk lager ligt. Qua arbeid besteedt de kopgroep meer uren per koe.

Bij de 20% beste bedrijven is de melkopbrengst € 35,24 per 100 kilo; dat is € 1,54 meer dan de € 33,70 bij de rest van de bedrijven (zie grafiek Hogere opbrengsten, lagere kosten). De hogere gehalten in de melk en een hoger aandeel beweiding zijn daar debet aan.

Naast een hogere opbrengst per 100 kilo melk hebben de betere bedrijven een structureel lager kostenpatroon. De lagere voerkosten tikken het hardst door; met € 2,10 per 100 kilo liggen die bij de kopgroep bijna 20% lager dan bij de overige bedrijven (zie grafiek Beter bedrijf voert goedkoper). Procentueel pakken deze bedrijven het meeste voordeel bij de aangekochte ruwvoeders, gevolgd door krachtvoervervangers en vitaminen en mineralen. In absolute getallen tikken de lagere kosten voor aankoop van krachtvoer het hardst door.

Doordat ze wat minder intensief zijn, hebben de betere bedrijven lagere mestafzetkosten. Hetzelfde beeld is te zien bij nagenoeg alle andere toegerekende kosten (zie grafiek Toegerekende kosten fors lager).

Werk door derden

Ook na het saldo liggen de kosten bij de betere bedrijven lager. Ze maken bijvoorbeeld minder kosten voor werk door derden en algemene kosten. Dat resulteert in een fors hogere bruto geldstroom. Dat is ook zichtbaar in de andere kengetallen zoals winst, marge en reserveringscapaciteit per 100 kilo melk. Het verschil tussen de twee groepen ligt bij de verschillende kengetallen rond € 6 per 100 kilo melk.

Overigens wijkt het financieringsplaatje op de 20% beste bedrijven nauwelijks af van de overige bedrijven. In de tabel Financiering nagenoeg gelijk staan enkele belangrijke kengetallen. De langlopende schuld is nagenoeg even hoog en de jaren tot volledige aflossing zijn gelijk. Wat wel opvalt, is dat de netto privé-onttrekkingen op de betere bedrijven hoger liggen dan bij de rest. Dat is volgens Flynth verklaarbaar doordat een hogere bedrijfswinst een hoger belastbaar inkomen geeft en daardoor hogere belastingen. De rentekosten zijn bij de kopgroep gemiddeld wel 6% lager dan bij de andere bedrijven.

‘Alles in balans’

Samengevat doen de betere bedrijven het op alle fronten beter en is voor de beste economische resultaten geen andere bedrijfsstructuur nodig. Het beeld klopt met wat Gert Nieuwenhuis, bedrijfsadviseur bij Flynth, in de praktijk ziet. “Typisch is dat op deze bedrijven alles in balans is. Technisch, financieel en op het gebied van arbeid.”

Er is volgens hem een aantal aspecten die het verschil maken tussen gemiddeld en bovengemiddeld presteren. Dat begint bij de melkveehouder zelf: die overziet alles en ‘snapt hoe het werkt’. Maar heeft ook een goed graslandbeheer en keuzes leiden tot hoge gehalten in de melk. “Deze melkveehouders zien vandaag dat een koe morgen ziek wordt.”

De kwaliteit van de grasmat zegt volgens Nieuwenhuis veel over de rest van het bedrijf. Goed graslandbeheer geeft een hogere opbrengst aan droge stof per hectare en lagere voerkosten. “Er is zeker een relatie tussen graslandbeheer en technische prestaties.” Hoge gehalten zijn het gevolg van een goede voeding en fokkerij, naast het algemeen management dat helemaal klopt.

Opvallend is dat de topbedrijven niet de hoogste productie per koe hebben of de grootste omvang in aantallen. “Een hoge productie vraagt hogere voer- en veekosten en geeft zeker niet altijd het beste saldo.” Hoe groter een bedrijf, hoe meer afhankelijk het bedrijf is van vreemde arbeid. Dat vraagt specifieke vaardigheden om de controle over het hele bedrijf op niveau te houden.

Nieuwenhuis noemt het type melkveehouder uit de kopgroep meer vakman dan ondernemer en hij opereert gemiddeld wat vaker in de luwte. “Het zijn niet de mensen die vooraan willen staan of met grote dingen bezig zijn die iedereen moet zien. Het zijn mensen die nooit pech hebben; ze leggen problemen niet bij een ander neer.”

‘Bewust elke stap iets beter doen’

Met circa € 10 marge per 100 kilo melk in 2015 mag Jan Eggink zich tot de kopgroep van de Flynth-bedrijven rekenen. In 2015 lag zijn kritieke melkprijs op bijna € 25 per 100 kilo en de melkprijs op € 35. Dat cijfers en financiën zijn hobby zijn, helpt om inzicht te krijgen in de eigen situatie.
Jan Eggink (57) heeft in Laren (Gld.) met zijn vrouw Anneke en zoon Henk-Jan een bedrijf met 110 koeien en 50 stuks jongvee op 52 hectare. Hij ziet zichzelf niet als koeienman, maar als iemand die in efficiënte systemen denkt. “Het gaat niet om de maximale, maar om de optimale opbrengst onder de omstandigheden op mijn bedrijf.” Dat komt met name terug in de productie; met 7.800 kilo melk is die niet bijzonder. Door focus op gezondheid en een lage vervanging ligt de levensproductie wel 20% boven het gemiddelde.
De grootste winst boekt Eggink bij de voerkosten; die liggen bijna 4 cent per kilo onder het Flynth-gemiddelde. Ook de kosten voor gezondheid liggen op een lager niveau, terwijl omzet en aanwas juist 1 cent hoger ligt. “Dat komt door de keuze voor Fleckvieh. Die hebben wel een lagere productie, maar presteren goed op het rantsoen met veel ruwvoer afkomstig van de droge zandgronden.” Dat is volgens Eggink de crux: alles moet in de bedrijfsvoering bij elkaar passen.
Al vanaf de jaren tachtig investeert hij in de bodem door grond niet te scheuren, maar te zorgen voor meer organische stof in de grond. “Dat is een belangrijke buffer. Het gras heeft hier bijvoorbeeld veel minder last van droogte dan op andere plekken.” In het rassenmengsel zit standaard timothee omdat deze goed bestand is tegen vorst in de winter en droogte in de zomer. Verder noemt Eggink het belangrijk om te werken met eigen, lichte machines. Maar ook secuur werken: van correct afstellen tot zorgen dat er geen molshopen in de wei zitten. “Bewust elke stap in het proces iets beter doen dan het gemiddelde. Onder de streep verdien je dan het meest.”

De betere bedrijven hebben een hogere melkopbrengst, omzet en aanwas en overige opbrengsten. Daarnaast liggen de kosten over de hele linie op een lager niveau. De lagere voerkosten tikken met € 2,10 per 100 kilo melk hard door. Ook na het saldo pakt het betere bedrijf voordeel.
De totale voerkosten liggen bij de kopgroep ongeveer 20% lager dan bij de rest. Procentueel wordt het grootste voordeel bij aangekocht ruwvoer, krachtvoervervangers en vitaminen en mineralen gepakt. In absolute bedragen zijn lagere krachtvoerkosten het belangrijkst.
De toegerekende kosten liggen bij de kopgroep 18% lager dan bij de overige bedrijven. Op de meeste posten weet de kopgroep te besparen. De kosten voor bemesting liggen wat hoger. Omdat de bedrijven wat extensiever zijn, liggen de kosten voor mestafzet een stuk lager.

Bij de 20% beste bedrijven is de bruto geldstroom € 21,05 per 100 kilo melk. Bij de rest is dat € 13,77. Dat komt ook terug in de winst: die is € 10,52 per 100 kilo melk op de betere bedrijven en € 4,03 bij de rest. De twee typen bedrijven zijn nagenoeg even groot. Ook leveren ze op jaarbasis bijna nagenoeg evenveel melk af. De kopgroep heeft wel meer grond onder het bedrijf. Ook gaan de koeien langer mee en ligt de uitval van kalveren en koeien een stuk lager.
Het financieringsplaatje wijkt op de 20% beste bedrijven nauwelijks af van de rest. De langlopende schuld is nagenoeg even hoog en de jaren tot volledige aflossing zijn gelijk. Wat wel opvalt, is dat de netto privé-onttrekkingen op de betere bedrijven hoger liggen dan bij de rest.

Auteur

Rene%20Stevens
Freelanceredacteur Melkvee100Plus

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.