Melkvee100Plus
Show article

Banken hebben te maken met strengere voorwaarden bij het aangaan van financieringen. Dat raakt ook de melkveehouderij. De sector zal minder afhankelijk moeten worden van bancaire financieringen.

Dat het beleid van banken ten aanzien van financieren aan het veranderen is, wordt ook in de melkveehouderij gevoeld. Vaak wordt naar ‘Basel’ verwezen, wat ook wel klopt. Maar de afspraken die mondiale banken en toezichthouders daarvoor hebben gemaakt, staan niet op zichzelf. Al vanaf 1995 vormen twee Basel-akkoorden (I en II) de basis voor het financieringsbeleid van banken (zie kader). Alleen de voorwaarden van deze akkoorden waren zo mild dat de effecten onopgemerkt bleven voor de ondernemers.

De recente kredietcrisis maakte duidelijk dat de afspraken die banken in Basel II hadden gemaakt, niet voldoende waren. Daardoor hebben banken te veel risico’s gelopen met uitgeleend geld. Kern van het meest recente Basel III is dat risico’s van banken alleen kunnen worden opgevangen met stevige kapitaalbuffers en liquiditeiten die direct en volledig beschikbaar zijn. Het eigen vermogen moet daarom van een hogere kwaliteit zijn en het risico dat de bank loopt moet scherp in beeld zijn. De belangrijkste consequenties zijn dat banken een groter aandeel eigen vermogen op hun balans willen, meer geld liquide en alleen financieren bij lage risico’s.

In principe heeft Basel III voor alle ondernemers die leningen hebben of aangaan consequenties. Dat zegt Bart Geertsema, senior-adviseur bij Flynth en voormalig manager bij Rabobank. “Banken zijn over het algemeen kritischer ten aanzien van het uitzetten van nieuwe financieringen. Dat betekent dat ondernemers bij nieuwe plannen strenger worden beoordeeld, onder andere op het risico voor de bank.” Plannen moeten van een hoger niveau zijn om de bank te overtuigen, aldus Geertsema. Over het algemeen heeft de melkveehouderij met meer zekerheden via grond wel een betere uitgangssituatie dan de varkenshouderij of de tuinbouw.

Ondernemers zullen merken dat looptijden van leningen korter worden; waar vroeger 35 tot 30 jaar gebruikelijk was, is nu 25 jaar voor de melkveehouderij al een hele periode. Automatische herfinanciering wordt moeilijker. Verder is de opslag die banken op de rente rekenen hoger en die zal vermoedelijk verder stijgen. Daarmee kunnen banken hun eigen vermogen versterken. Door de lage rente is dit nu wat minder zichtbaar en bepalend voor de financieringsmogelijkheden.

‘Snel even regelen’ voorbij

Als gevolg van Basel III doen melkveehouders er goed aan om voldoende geld opzij te zetten tijdens goede melktijden. Dat was altijd belangrijk, maar nu nog meer. Denken in buffers is relatief nieuw; het was altijd gebruikelijk de aflossingsverplichting bij een lage melkprijs tijdelijk te verlagen of stop te zetten. In feite wordt een voorschot genomen op marges die de ondernemer in de toekomst verwacht te gaan maken. Als gevolg van Basel III zal dat minder gebeuren. “De tijd van ‘even snel regelen met de bank’ is definitief voorbij”, schetst Geertsema. Daar komt nog bij dat ook leveranciers, met name mengvoerfabrikanten maar ook anderen, de laatste jaren strikter zijn geworden in hun debiteurenbeleid.

Extra aflossen wordt ontraden. Het kan helpen de kostprijs te verlagen en de onderneming minder afhankelijk te maken van de bank. Toch geven adviseurs aan dat het beter is het geld als buffer beschikbaar te hebben of eventueel te investeren in bedrijfsverbetering. “Het probleem is niet gebrek aan rendement, maar gebrek aan liquiditeit. Daarom moeten melkveehouders voldoende liquide middelen beschikbaar houden en niet tot die laatste euro’s willen aflossen.”

Financieringsmogelijkheden

Verder moet de sector op zoek naar nieuwe financieringsmogelijkheden. In de Nederlandse landbouw zijn bancaire leningen 80 tot 90% van de totale financiering. Dat is internationaal gezien hoog; in de Verenigde Staten is dit aandeel maar 20%. Als gevolg van Basel III is de verwachting dat het hoge aandeel bancaire financiering zal dalen. Dat is op zich niet erg, zolang er maar andere financieringsmogelijkheden zijn tegen vergelijkbare rentetarieven. De Nederlandse landbouw is daar niet mee bekend. Alhoewel beperkt, zijn er al wel mogelijkheden. De familielening is een voorkomende vorm van alternatieve financiering, ook in de melkveehouderij. Ondernemer en investeerder maken zelf afspraken over looptijd, aflossing en rentepercentage.

Buiten de familie kunnen ook andere externen een deel van de investering financieren. Dat kunnen investeerders zijn die meer rendement van hun kapitaal willen maken dan ze van de banken krijgen. “Als deze investeerders gevoelig zijn voor inflatierisico’s willen ze hun geld vooral in grond stoppen. Dat biedt kansen voor de melkveehouderij.”

Dan is er nog crowdfunding; een financieringsvorm waarbij burgers en/of bedrijven investeren in een bedrijf. Crowdfunding was in eerste instantie bedoeld om innovatieve, vaak idealistische investeringen en projecten mogelijk te maken omdat reguliere financierders er geen geld in wilden steken. De Nederlandse landbouw kent een paar voorbeelden van kleinschalige projecten. Een beperking is dat looptijden relatief kort zijn. Het rendement op de investering is een belangrijke wegingsfactor voor investeerders.

De laatste jaren wordt door melkveehouders vaker gebruik gemaakt van erfpachtfinanciering. De ondernemer verkoopt dan de grond aan bijvoorbeeld een institutioneel belegger of kerk en huurt deze terug in de vorm van erfpacht. Bij de meeste constructies is financiering mogelijk van 70% of hoger van de waarde van de grond. Ook liberale pacht biedt mogelijkheden maar geeft minder zekerheid.

De veranderingen in de financieringsmogelijkheden zullen melkveehouders de komende jaren gaan voelen. Dat heeft niet alleen nadelen, benadrukt Geertsema. “Bedrijven worden minder afhankelijkheid van de bank, zijn eerder van hun schuld af en moeten plannen beter onderbouwen. Op lange termijn wordt de sector onafhankelijker en professioneler.”

Basel-eisen steeds aangescherpt

De afspraken die de mondiale bankensector en toezichthouders in het kader van Basel maken, voeren terug naar eind ­jaren tachtig. 

Vanaf 1995 moesten internationaal banken minimaal 8% van hun eigen vermogen aanhouden tegenover hun uitstaande risico gewogen activa (RWA). Deze activa wogen 0 tot 100%, afhankelijk van het risico dat de bank loopt. Dat is dus 0 tot 100% van 8%. Dit is vastgelegd in Basel I.
Basel II trad in werking in 2008. Kern is dat de 8% uit Basel 1 meer specifieker werd in­gevuld. Verder is het ­akkoord met drie pijlers uitgebreid: minimale ­kapitaalsvereisten, ­bevoegdheden van de toezichthouder en ­verstrekken van meer ­informatie.
Implementatie van Basel III vindt nog steeds plaats. De kapitaalbuffers uit de vorige Basel-akkoorden bleken tijdens de finan­ciële crisis te fragiel. Daarom is het percentage RWA opgehoogd van 8 naar gemiddeld 14%. Verder moeten banken meer liquide middelen in huis hebben, wat wordt uitgedrukt in de ­liquidity coverage ratio (LCR).

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.