Melkvee100Plus
Show article

Tussen bedrijven die beweiden of opstallen zijn beperkte economische verschillen te zien, maar meer typerend is dat de variatie enorm groot is. Dat betekent dat met beide systemen goede economische resultaten zijn te behalen.

De redenen dat melkveehouders kiezen voor weidegang zijn divers. Sinds de instelling van weidemelkpremies zien melkveehouders een hogere opbrengst per kilo melk en is het verschil tussen weiden en opstallen ook zichtbaar geworden in de melkprijs. Of en in hoeverre ondernemers per saldo ook meer overhouden hangt echter van veel factoren af (zie interview met Agnes van den Pol).

Om meer inzicht te krijgen in de economische verschillen heeft Henk van Dijk, bedrijfskundig specialist melkveehouderij bij Flynth, een analyse gemaakt uit eigen klantgegevens. Dat is gedaan voor alle melkveebedrijven, opgesplitst in wel en geen beweiding. De groep is verder verdeeld in beperkt of onbeperkt weiden.Het gaat om 860 bedrijven die weidegang toepassen en 217 bedrijven die de koeien het jaarrond opstallen. Voor de volledigheid is bij de opstalgroep ook naar summerfeeding of zomerstalvoedering gekeken, maar die wordt hier niet besproken.

Meer koeien bij opstaller

Het overzicht tussen beweiders en opstallers geeft een duidelijk verschil weer in bedrijfsstructuur. Qua omvang zijn de opstallers met afgerond 118 koeien een maatje groter dan de beweiders met 89 koeien. Op bedrijven waar de koeien op stal blijven is 9,6 hectare meer grond aanwezig. De koeien produceren daar 319 kilo meer melk per koe dan op bedrijven waar de koeien in de zomermaanden naar buiten gaan.

Door de lagere totaalproductie aan melk zijn alle kengetallen uitgedrukt per kilo melk bij de beweidersgroep lager dan bij de opstallers. Zo zijn de beweiders extensiever, melken ze bijna 87.500 kilo per VAK minder dan de opstallers en ook de melkproductie per uur ligt 29 kilo lager. Niet verrassend: het percentage robotmelken ligt bij de beweiders op 20%; bijna de helft van het aandeel bij de opstallers (39%).

Verschillen zijn beperkt

Uit de analyse van de economische kengetallen valt een aantal dingen op. Door de hogere productie en meer koeien is het bedrijfsresultaat bij de opstallers € 172.298 tegenover € 127.986 bij de beweiders. De opstallers realiseren een marge per VAK van € 25.251 tegenover € 21.586 bij de beweiders. Ook per gewerkt uur is de marge hoger op de bedrijven waar de koeien binnen blijven.

Per koe realiseren de beweiders, ondanks een hogere melkprijs door de weidepremie, een wat lagere opbrengst door de lagere productie per koe. Lagere kosten voor voeding, strooisel en machines – bekende posten die bij beweiding lager uitvallen – kunnen dat amper compenseren. Onder de streep resulteert een bijna gelijke marge per koe, namelijk € 434 voor de opstallers en € 433 voor de beweiders. De marge is het verschil tussen de kritieke opbrengstprijs en de werkelijke melkprijs en kan worden besteed aan uitbreidingsinvesteringen, extra aflossen, sparen of extra privé-uitgaven.

Door de verschillen in productie zien de resultaten per 100 kilo melk er iets anders uit, maar nog steeds zijn de verschillen beperkt. Beweiders hebben iets lagere krachtvoerkosten maar moeten meer ruwvoer aankopen. De niet-toegerekende kosten liggen bij beweiding ruim een euro hoger. Dat zit onder andere in kosten voor energie, werk door derden en algemene kosten. De beweiders realiseren per 100 kilo melk een iets hogere melkprijs en kritieke melkprijs. Onder de streep ligt de marge daardoor € 0,19 per 100 kilo melk hoger.

Beweidingssystemen

Kijkend naar de twee beweidingssystemen, valt op dat de groep onbeperkte beweiders ruim vijf koeien minder melkt maar vier hectare meer grond heeft. De productie per koe is ook lager, evenals de productie per VAK. De uren arbeid per jaar liggen bij de onbeperkte weiders bijna 600 uren lager. Ook per koe zijn de onbeperkte beweiders 4 uur per koe minder kwijt. Dat correspondeert met praktijkervaringen, waarbij meer beweiding leidt tot een lagere arbeidsvraag.

Per koe hebben de onbeperkte weiders lagere opbrengsten, maar ook een stuk lagere voerkosten. Dat is echter te weinig om het verschil te compenseren, zodat de marge met € 381 per koe lager ligt dan de € 438 bij de beperkte beweiders.

Het economische nadeel komt ook terug bij de economische resultaten per 100 kilo melk. De onbeperkte weiders hebben per eenheid een wat lagere melkopbrengst en hogere kritieke melkprijs. Daardoor ligt de marge met € 4,85 per 100 kilo melk € 0,47 onder het niveau van de beperkte beweiders.

Verschillen zijn groot

De resultaten geven volgens Van Dijk geen duidelijke richting aan welke keuze economisch het meeste oplevert. Samengevat uit de analyse komt naar voren dat de arbeid per koe bij de groep opstallers wat lager is, maar daar speelt gebruik van de melkrobot waarschijnlijk ook een belangrijke rol. Verder ligt de productie hoger maar is de netto melkopbrengst wat lager. Onder de streep realiseren de beweiders een iets hogere marge. Dat is vooral te danken aan de groep beperkte beweiders; de onbeperkte beweiders kunnen lagere melkopbrengsten niet compenseren door lagere kosten. Bij een hogere weidepremie zal het voordeel nog wat duidelijker omslaan richting beweiden, mits een ondernemer het goed kan inpassen.

Van Dijk ziet wel dat verschillen tussen bedrijven groot zijn en dat managementniveau en vakmanschap van de ondernemer het werkelijke verschil maken. Ook spelen verschillende factoren een rol bij de keuze tussen wel en niet beweiden, die ook impact hebben op de kostenstructuur. Zo zal een bedrijf met een moeilijke huiskavel en veel grond op afstand niet snel beweiden en heeft zo’n bedrijf een andere kostenstructuur dan een bedrijf met alle grond aan huis.

De saldo’s per 100 kilo melk afgezet tegen de uren beweiding per bedrijf geeft geen duidelijke richting. Uit de grafiek blijkt wel dat de economische verschillen bij wel of niet en het aantal uren beweiding zeer groot zijn. Dat biedt ook mogelijkheden tot verbetering van de resultaten.
Door de lagere totaalproductie aan melk zijn alle kengetallen uitgedrukt per kilo melk bij beweiders lager dan bij opstallers. Onder de streep realiseren beweiders een iets hogere marge. Dat is vooral te danken aan de groep beperkte beweiders; de onbeperkte beweiders kunnen lagere melkopbrengsten niet compenseren door lagere kosten.

‘Hoogte weidepremie maakt het verschil’

Agnes van den Pol heeft onderzoek gedaan naar de economie van beweiding, onder andere op basis van cijfers van Flynth.
Uit onze Flynth-analyse komen geen grote verschillen tussen wel of geen beweiding. Verbaast u dat?

“Nee. Uit eerdere onderzoeken en analyses blijkt dat het effect van beweiding op economische kengetallen in de praktijk bijna nihil is. De saldo’s afgezet tegen uren beweiding geeft een puntenwolk waarin geen duidelijke lijn zit (zie grafiek). Als je met een schuin oog kijkt, zie je een klein voordeel bij meer beweiding. Andere factoren dan weidegang zijn bepalender voor het economisch resultaat. Opvallend is wel dat de variatie tussen bedrijven groot is.”
Wat betekent dat?
“Dat veehouders die beweiding goed onder de knie hebben, er economisch goed mee kunnen presteren.”

Maakt de hoogte van de weidepremie het verschil?
“Eigenlijk wel. Veel onderzoek is gedaan met cijfers van enkele jaren oud. Bij de cijfers in de grafiek lag de weidepremie gemiddeld op een niveau van een halve cent. Ik verwacht dat het voordeel nu eerder omslaat ten gunste van beweiding.”

Wat is bepalend voor succes van beweiding?
“Drie belangrijke factoren maken het verschil: het klinkt als een open deur, maar koeien moeten wel gras vreten. Hoe hoger de grasopname, hoe eerder beweiding economisch interessant is. Ten tweede het vakmanschap, ten derde zijn ‘mindset’.”
Wat bedoelt u daarmee?
“Uit onderzoek blijkt dat het gedrag van een veehouder rondom beweiding afhangt van een aantal factoren: hoe kijkt hij zelf tegen beweiding aan en hoe belangrijk vindt hij dat? Hoe denkt hij dat zijn omgeving tegen beweiding aankijkt? En de mate waarin hij denkt dat hij het kan; vindt hij dat hij voldoende kennis heeft of dat de infrastructuur het toelaat? Door kennis en ervaring te delen en goede voorbeelden te laten zien, kan de mindset positief veranderen.”

Hoe kijkt u tegen de factor arbeid aan?
“Arbeid bij economisch onderzoek is vaak een discussie, vooral omdat we weiig betrouwbare gegevens hebben. Ook uit bedrijfsanalyses is het lastig om betrouwbare gegevens te krijgen omdat één VAK overal een andere waarde heeft. We proberen hier de komende jaren meer zicht op te krijgen, bijvoorbeeld door onderzoek met studenten. Ook wordt gezocht naar arbeidsbesparende maatregelen. Zo onderzoekt Dairy Campus een virtuele afrastering waardoor koeien telkens automatisch een klein stukje nieuw vers gras krijgen. Dat bespaart op arbeid en is positief voor de productie.”

Naam: Agnes van den Pol-van Dasselaar (48).
Organisatie: Wageningen Livestock Research (onderzoeker gras en beweiding) en Aeres Hogeschool Dronten (lector Beweiding).

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.