Melkvee100Plus

Voederwinning grootste uitdaging

Artikelen Jan Willem Veldman 5 nov 2017
Show article

De biologische melkveesector groeit als kool. Voor omschakelaars vormt vooral het winnen van voldoende en kwalitatief goed ruwvoer een uitdaging. Grote extensieve bedrijven zijn over het algemeen in het voordeel.

nd deze tijd komen er ongeveer 130 nieuwe biologische melkvee­bedrijven in Nederland bij. Een stijging van zo’n 30%. De lage gangbare melkprijs zo’n anderhalf jaar terug, gaf veel melkveehouders het laatste zetje. Het verschil tussen de gangbare en biologische melkprijs liep op tot zo’n 20 cent per kilo melk.

Grote zuivelspelers zijn nog steeds Eko Holland Melk op Maat en FrieslandCampina, maar ook partijen als Farmel en A-ware trekken aan bio. De biologische melkplas groeit naar verwachting met zo’n 60 à 70 miljoen kilo naar ruim 250 miljoen kilo melk.

Opvallend is dat in de afgelopen jaren ook steeds grotere melkveebedrijven het omschakeltraject naar bio zijn gestart. Een trend mag je het gezien de grote variatie aan bedrijven niet noemen, maar de stap lijkt met name voor grote extensieve melkveebedrijven relatief eenvoudig te nemen. Vraag is natuurlijk of dit in de praktijk ook zo eenvoudig is?

Voldoende en goed ruwvoer

Uit een rondgang door de sector blijkt al snel dat het blijven winnen van voldoende en kwalitatief goed ruwvoer de grootste uitdaging vormt. Door het wegvallen van kunstmest, een stikstofgebruiksnorm van 170 kilo per hectare, en de toepassing van grasklaver komt het moment van bemesten veel preciezer. Afhankelijk van de grond moeten veehouders rekening houden met een daling van de graslandopbrengst van 15 tot 20% droge stof. De VEM-waarde daalt met zo’n 5% en het ruw eiwit gaat met zo’n 20% naar beneden. Los van de grondsoort is natuurlijk ook de teelthistorie van grote invloed. Des te meer er van de grond is gevraagd, des te groter de uitdaging om de grond zonder kunst(mest) en vliegwerk weer in de benen te krijgen. Evident is dat een extensief bedrijf dit over het algemeen sneller voor elkaar heeft dan een intensief bedrijf. Een relatief groot bedrijf is daarbij vaak in het voordeel vanwege een hoger economisch rendement.

Zoals gezegd is de diversiteit in bedrijven die het omschakeltraject starten enorm. Het zijn zeker niet alleen de extensieve bedrijven die kiezen voor bio. Kees Water van adviesbureau Ekopart hanteert bij oriëntatiegesprekken met potentiële omschakelaars de volgende indeling. Melkveebedrijven met een productie van minder dan 10.000 kilo melk per hectare staat eigenlijk niets in de weg de stap te wagen. Sterker, de kans op succes is erg groot. Bij een productie tussen de 10.000 en 12.000 kilo melk per hectare liggen er goede kansen. Bij een hogere productie wordt het lastiger, maar leert de praktijk dat er ook oplossingen gevonden kunnen worden. “Er zijn zelfs bedrijven die omschakelen met een productie boven de 25.000 kilo melk per hectare”, aldus Water. Hij schat dat momenteel op ongeveer een kwart van de biologische melkveebedrijven meer dan 120 koeien staan. De gemiddelde productie per bedrijf zou rond de 600.000 kilo liggen. Zonder natuurland moet een productie van rond de 7.000 kilo melk per koe volgens hem goed haalbaar zijn.

Gehaltes blijven overeind

Grofweg betekent omschakelen voor een groot deel van de bedrijven productie afstaan, beschikking over extra grond verwerven of voer aankopen. De gezondheid van de koeien blijft meestal op peil en ook de gehaltes in de melk blijven overeind. Een beperkte productiedaling per hectare en/of per koe nemen de meeste omschakelaars voor lief, extra grond verwerven vormt de grote uitdaging. Belangrijk is natuurlijk ook hier om wat voor grond het gaat. In het noorden van het land zie je dat het vaak gaat om natuurland met een beperkte opbrengst. Hoe groot is bijvoorbeeld het verschil met land in bruikleen van biologische akkerbouwers in de polder. Voer aankopen heeft duidelijk niet de voorkeur. Een inkoopstrategie maakt een bedrijf in de regel kwetsbaar. Wisselende prijzen en kwaliteiten kunnen een ondernemer parten spelen. Daarbij past deze strategie gevoelsmatig niet bij de beweegredenen van veel biologische boeren. Los van genoemde factoren heeft de omschakeling natuurlijk impact op het bedrijfsrendement. De kosten stijgen terwijl er in de regel al een financiering loopt. Dit moet allemaal wel passen. Daarbij moet je afnemer akkoord gaan met omschakeling. Goed voorbeeld is de grote groep FrieslandCampina-leden die verrast werd met een plekje op de wachtlijst.

Neem de tijd

Uit gesprekken met biologische melkveehouders blijkt dat deze ondernemers over het algemeen langzaam naar bio doorgroeien. Dit proces kan soms wel 10 jaar duren. Het nemen van tijd is ook hun advies aan nieuwkomers. Opvallend is dat veel van de omgeschakelde veehouders aangeven het plezier weer te hebben teruggevonden. De mentaliteit binnen de biologische melkveehouderij is duidelijk anders. Het gaat er gewoon relaxter aan toe.

De animo voor omschakeling is inmiddels geluwd. Eko Holland-voorzitter René Cruijsen geeft aan dat gedacht moet worden aan het niveau van een paar jaar terug, ofwel een tiental bedrijven. Tot nu toe lukt het zijn leverancierscoöperatie om alle geleverde bio-melk tegen bio-prijzen in de markt te zetten. Opvallend is dat ook FrieslandCampina afgelopen februari besloot de ruim 50 leden op de wachtlijst toe te staan biologische melk te gaan leveren. Spannend wordt het volgens Cruijsen komend voorjaar tijdens de traditionele piek in melkaanvoer. Grote zorgen maakt hij zich echter niet. De vraag naar biologische zuivel zit nog steeds in de lift en daarbij wordt er volgens hem nog steeds biologische rauwe melk uit Denemarken en Duitsland geïmporteerd.

‘De koeien hoeven niet op hun tenen te lopen’

Erik (49) en Ronald (45; links) Enting in Zuidveld (Dr.) melken in V.O.F 160 koeien op 124 hectare zandgrond (waarvan 10 hectare pacht). De grond bestaat volledig uit grasklaver. Er wordt al lange tijd niet meer geploegd. Een deel van de graslandpercelen is meer dan 20 jaar oud.
De gebroeders Enting zijn net gestart met het leveren van biologische melk. Zo’n 3 à 4 jaar geleden haalden de koeien nog een productie van 8.800 kilo melk bij 4,25% vet en 3,45% eiwit. Nu ligt de productie rond de 7.400 kilo melk. De gehaltes zijn nagenoeg gelijk gebleven. De opbrengst per hectare grasland daalde met zo’n 10% naar rond de 8 ton droge stof. De maximale intensiteit daalde van 14.000 naar zo’n 10.000 kilo melk per hectare. Ze liggen er niet wakker van, al is het streven de melkproductie per koe weer op te krikken naar zo’n 8.000 kilo. Ook willen ze het bodemleven stimuleren zodat de pieren en schimmels hun werk kunnen doen wat betreft de levering van nutriënten. Met name de percelen waar voorheen mais en lelies werden geteeld komen moeilijk op gang. De grond is volgens de veehouders simpelweg leeg getrokken. “Collega’s rijden ons perceel bij Westerbork waarschijnlijk hoofdschuddend voorbij”, lacht Ronald. Erik vult aan dat ze net pas de 3e snede van dit perceel hebben en dat de opbrengst ook nog eens te denken geeft. Het gras hoeft van de veehouders niet dennengroen te kleuren, maar het moet er ook weer niet té armetierig uitzien. Ook de Entings kozen duidelijk voor een geleidelijk overgang. De mais verdween al voor omschakeling uit het rantsoen, het antibioticagebruik werd zeven jaar geleden al afgebouwd en ook met kunstmest gingen de veehouders steeds spaarzamer om. Opvallend is volgens de veehouders dat als je zaken loslaat er eigenlijk nog steeds zoveel goed gaat zonder dat je het doorhebt. “Koeien beschikken over een groot zelfreinigend vermogen. Alleen als een koe op haar tenen loopt, hoeft er niet veel te gebeuren voordat ze omvalt.” Maximale productie is niet meer waar de veehouders voor gaan. De vraag van adviseurs wanneer de stal nou eens vol komt, kan ze niet deren. De prioriteit ligt bij plezierig werken en voldoende inkomen genereren voor twee families.

Ook mogelijkheden bij hoge intensiteit

Jeroen Groenewegen (44) houdt in Kraggenburg (Fl.) in maatschap met zijn ouders 91 melk- en kalfkoeien op 134 hectare grond, waarvan 46 hectare in eigendom. Ook is er 1 vaste medewerker. Het rollend jaargemiddelde ligt op 9.344 kilo melk met 4,20% vet en 3,60% eiwit. De melk gaat naar Farmel. Naast de teelt van grasklaver, snijmais, luzerne en voederbieten is er ook ruimte voor akkerbouw.
Kraggenburg zette de stap naar bio al een paar jaar terug (2012). Met een intensiteit van 32.000 kilo melk per hectare een enorme uitdaging. De productie ligt voor een biobedrijf nog steeds opvallend hoog. De poldergrond doet duidelijk zijn werk al daalde ook bij hem de grasopbrengst van 14 naar 11 ton droge stof. Na omschakeling daalde de melkproductie tijdelijk naar 8.200 kilo melk. Met behulp van voederbieten, luzernebrok en krachtvoer wist hij de productie weer in de benen te krijgen.
In zijn vrijloopstal met strobodem is ruimte om door te groeien naar 120 melkkoeien. Een bedrijfsverplaatsing vanwege stadsuitbreiding maakte dat hij de stap naar bio uiteindelijk kon zetten. Langzaamaan creëerde hij de juiste randvoorwaarden. Een strategie die veel veehouders toepassen. Als je omschakelt en je dan nog moet beginnen met de teelt van grasklaver valt dat volgens de veehouder in veel gevallen vies tegen. En verlies aan kwaliteit ruwvoer voel je direct in de portemonnee mits je dit wil corrigeren met krachtvoer wat in de regel al snel het dubbele kost ten opzichte van gangbaar krachtvoer.
Het kost duidelijk tijd om de ruwvoerproductie goed in de vingers te krijgen. De eerste snede grasklaver bestaat bij Groenewegen vooral uit suiker terwijl de vierde en vijfde snede dik boven de 200 gram ruweiwit zit. Dit schreeuwt om een lasagnekuil. Hij geeft aan de eerste jaren veel met zandzakken te hebben gesleept. Om het bodemleven te stimuleren heeft Groenewegen de eerste jaren en masse compost uitgereden, ook al moest hij hierdoor een deel van zijn drijfmest afvoeren. Jaarlijks strooide hij zo’n 50 ton compost per hectare. Kosten exclusief uitrijden zo’n € 250 per hectare. Ook samenwerking met biologische akkerbouwers in de omgeving is voor Groenewegen van groot belang.
Pas dit jaar kreeg hij de beschikking over een fors groter areaal (plus 60 hectare), wat hem minder afhankelijk maakt en ruimte biedt voor een eigen akkerbouwtak.

Grond van de buurman bood mogelijkheden

De straaljagers vliegen laag over het erf van melkveehouder Erik Hettinga (49) in Koarnjum (Fr.). Hij houdt 117 melk-en kalfkoeien op 71 hectare grasland. Het rollend jaargemiddelde ligt op 8.500 kilo melk met 4,40% vet en 3,58% eiwit. De melk gaat naar FrieslandCampina. Hettinga hoopt dit najaar de financiering rond te krijgen voor een bedrijfsverplaatsing op zijn eigen kavel, dit traject loopt al vele jaren. Op de huidige locatie heeft hij onvoldoende mogelijkheden om zijn bedrijf te ontwikkelen.
Hettinga’s bedrijf bevindt zich onder de rook van vliegbasis Leeuwarden. Eind 2013 kreeg hij de mogelijkheid om 14 hectare grond van zijn buurman aan te kopen. Dit bood de mogelijkheid om zijn intensiteit te verlagen van zo’n 19 ton naar 13,5 ton melk per hectare. De keus voor bio op de nieuwe locatie was voor de veehouder desalniettemin geen vanzelfsprekendheid. Net als veel collega’s zag ook hij zich voor de keus gesteld te kiezen voor intensivering en schaalvergroting of extensivering en omschakeling naar een biologische bedrijfsvoering. Wel was hij altijd al zuinig in het gebruik van kunstmest, bestrijdingsmiddelen en medicijnen. De introductie van fosfaatrechten gaf hem het laatste zetje. In mei 2016 startte hij het omschakeltraject. Na een onzekere periode kreeg hij in februari, net als andere leden-melkveehouders van FrieslandCampina in omschakeling, goed nieuws. Alle leden die in 2016 het omschakeltraject waren gestart, kregen de zekerheid dat hun melk ook daadwerkelijk als biologische melk, en belangrijker tegen een biologische garantieprijs, zou worden afgenomen. Hettinga boert op lichte kleigrond met een beperkt stikstofleverend vermogen. De teelt van grasklaver is dan ook hard nodig. Hij zaaide 36 hectare grond met grasklaver in. Op de meeste percelen ging dit goed, maar op een paar percelen staat te weinig. “Misschien dat deze percelen wat zijn dichtgeslibd”, aldus de veehouder. Hij probeert het stikstofleverend vermogen van de grond te verbeteren door minder te scheuren, het gebruik van vaste mest en in de toekomst misschien compost of Bokashi.
Voorheen haalde hij van een hectare zo’n 14 ton droge stof. Nu is hij tevreden als hij 12 ton overhoudt. Vanaf mei dit jaar wordt er biologisch gevoerd. De productie is licht gedaald van 8.700 naar 8.500. De gehaltes zijn tot op heden met 4,40% vet en 3,58% eiwit goed overeind gebleven. Binnenkort mag hij biologische melk gaan leveren.

Gerelateerde artikelen

Reageren

U kunt alleen reageren wanneer u ingelogd bent met uw account. Heeft u nog geen account, meld u dan aan.